Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:13338
Feiten
Uitzendkracht had een uitzendovereenkomst met Randstad Nederland B.V. die door Randstad beëindigd is. Uitzendkracht vraagt om het ontslag te vernietigen en vordert een billijke vergoeding en de transitievergoeding. Randstad is nog niet opgeroepen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Eerst moet worden geoordeeld of de kantonrechter in Rotterdam bevoegd is om deze zaak te behandelen. Daarvoor is nu onvoldoende informatie beschikbaar. De kantonrechter van de vestigingsplaats van Randstad is in ieder geval bevoegd (artikel 7:686a lid 9 BW en 99 Rv). Dat is de kantonrechter in Amsterdam, omdat Randstad daar is gevestigd. De kantonrechter van de plaats waar werknemer normaal gesproken vooral werkte is ook bevoegd (artikel 7:686a lid 9 BW en artikel 100 Rv). Waar dat is, is voor de kantonrechter nu niet duidelijk. Uit het verzoekschrift begrijpt hij dat de uitzendkracht werkte of heeft gewerkt op twee verschillende plaatsen bij twee verschillende bedrijven. Waar hij normaal gesproken vooral werkte, is niet duidelijk. Uitzendkracht krijgt de gelegenheid dit toe te lichten. Zijn schriftelijke reactie moet uiterlijk op 16 oktober 2026 zijn ontvangen door de rechtbank. Als uitzendkracht niet reageert, is de kantonrechter van plan om de zaak te verwijzen naar rechtbank Amsterdam. Die rechtbank is namelijk in ieder geval bevoegd. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
