Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/werkgeefster (inlener) en uitlenende vennootschap
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9828
Detacheringsovereenkomst gaat over in arbeidsovereenkomst. Jarenlange voortzetting van werkzaamheden onder gezag vennootschap rechtvaardigt toepassing van het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW.

Feiten

Werknemer is sinds 2001 in dienst bij een Indiase vennootschap en wordt in 2015 gedetacheerd bij haar Nederlandse dochtervennootschap. De detacheringsovereenkomst wordt meermaals verlengd, voor het laatst tot 24 mei 2020. Daarna blijft werknemer zonder schriftelijke verlenging werkzaamheden verrichten voor de Nederlandse vennootschap, van wie hij opdrachten, instructies en salaris ontvangt en aan wie hij rapporteert. Werknemer verkrijgt de Nederlandse nationaliteit. In maart 2025 krijgt hij te horen dat zijn opdracht eindigt en dat hij naar India moet terugkeren. Hij weigert een nieuwe detacheringsovereenkomst te ondertekenen. Na zijn ziekmelding in juli 2025 wordt zijn salaris per 6 augustus 2025 stopgezet. Werknemer stelt dat hij sinds mei 2020 in dienst is bij de Nederlandse vennootschap en vordert onder meer een verklaring voor recht, wedertewerkstelling en achterstallig loon. De vennootschappen betwisten dit en stellen dat de detachering stilzwijgend is voortgezet, de Indiase vennootschap werkgever is en Indiaas recht en een arbitragebeding gelden. De Nederlandse vennootschap vordert voorwaardelijk terugbetaling van zorgverzekeringsvergoedingen die zij op basis van de expatregeling ook na mei 2020 heeft doorbetaald.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen werknemer en de Nederlandse vennootschap bestaat sinds 24 mei 2020 een arbeidsovereenkomst. De detacheringsovereenkomst is toen geëindigd en niet stilzwijgend verlengd, wat mede blijkt uit het latere verzoek om een nieuwe overeenkomst te ondertekenen. Werknemer is daarna voor de Nederlandse vennootschap blijven werken en door haar betaald, zodat het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW geldt. Dit vermoeden is niet weerlegd. De Nederlandse vennootschap oefende het werkgeversgezag uit, zoals blijkt uit de feitelijke aansturing, functioneringsgesprekken en de inleenovereenkomst. Dat werknemer voor haar klanten werkte en mogelijk nog een arbeidsovereenkomst had met de Indiase vennootschap, doet daaraan niet af. De aanvankelijk tijdelijke detachering is bovendien feitelijk permanent geworden. Ook intra-concerndetachering valt onder artikel 7:690 BW en de Uitzendrichtlijn. Zonder objectieve rechtvaardiging kon van werknemer na ruim tien jaar niet worden verlangd plotseling naar India terug te keren. Met het einde van de detacheringsovereenkomst zijn ook de rechts- en forumkeuze voor India vervallen. Nederlands recht is van toepassing en de Nederlandse rechter is bevoegd. Werknemer heeft recht op wedertewerkstelling en achterstallig loon. Omdat geen loonafspraken zijn gemaakt, geldt op grond van artikel 7:618 BW het gebruikelijke loon. De loonvordering wordt toegewezen, vermeerderd met 25% wettelijke verhoging en wettelijke rente. De op de expatregeling gebaseerde zorgverzekeringsvergoedingen zijn na mei 2020 onverschuldigd betaald en geen arbeidsvoorwaarde geworden. Volledige terugbetaling is echter in strijd met goed werkgeverschap, omdat de Nederlandse vennootschap de gewijzigde rechtsverhouding niet heeft erkend en werknemer niet op een aanzienlijke terugvordering hoefde te rekenen. Omdat werknemer ook de nadelige gevolgen van de door hem ingeroepen arbeidsovereenkomst moet dragen, wordt de terugbetalingsverplichting beperkt tot ongeveer de helft. De vennootschappen worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. In reconventie draagt iedere partij haar eigen proceskosten.