Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 5 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6347
Feiten
Werkneemster is op 29 augustus 2007 in dienst getreden bij werkgeefster. Partijen hebben de arbeidsovereenkomst met ingang van 19 augustus 2025 met wederzijds goedvinden beëindigd in verband met de langdurige arbeidsongeschiktheid van werkneemster. De afspraken in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben partijen in een vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO) vastgelegd. In eerste aanleg heeft (de bewindvoerster van) werkneemster verzocht om nakoming van deze VSO. Meer in het bijzonder heeft (de bewindvoerster van) werkneemster verzocht om werkgeefster te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en opgebouwde vakantietoeslag en verlofuren én het verstrekken van een deugdelijke bruto-nettospecificatie en een positief geredigeerd getuigschrift. De kantonrechter heeft (het merendeel van) de vorderingen toegewezen (zie AR 2026-0372). De bewindvoerster heeft hoger beroep ingesteld, omdat zij een andere motivering van dezelfde beslissing wil. Meer specifiek is de bewindvoerster het niet eens met de motivering voor afwijzing van een beroep van werkgeefster op verrekening met een schuld uit geldlening.
Oordeel
Het hof komt tot de conclusie dat de bewindvoerster geen belang heeft bij het hoger beroep en dat dat beroep moet worden verworpen. Het hof oordeelt als volgt. De rechter in hoger beroep heeft ambtshalve te toetsen of de partij die tegen een uitspraak een rechtsmiddel instelt daarbij voldoende belang heeft, ofwel of het hoger beroep voor die partij ‘enig nuttig effect teweegbrengt’. Als geen ander dictum wordt beoogd, bestaat alleen dan voldoende belang als die partij opkomt tegen een in haar nadeel genomen beslissing van de eerste rechter over de rechtsbetrekking in geschil, ook als die beslissing niet heeft doorgewerkt in het dictum van de beslissing van de eerste rechter. Deze procedure is tussen werkneemster en werkgeefster. Zij zijn de (materiële) procespartijen en hun geschil is daarmee ‘de rechtsbetrekking in geschil’. De beslissing van de kantonrechter dat werkgeefster voor wat betreft de lening geen vordering op werkneemster heeft, kan gezag van gewijsde krijgen (en heeft dat bij gebrek aan hoger beroep van werkgeefster gekregen). Dat geldt niet voor de daaraan voorafgegane overweging van de kantonrechter dat werkneemster heeft erkend dat zij de lening van € 6.000 met persoon 1 in privé is aangegaan. Persoon 1 is in deze procedure geen partij. Daarmee krijgt wat de kantonrechter heeft overwogen over de erkenning door werkneemster geen gezag van gewijsde. Daarom heeft de bewindvoerster, anders dan zij kennelijk meent, geen voldoende belang bij een andere motivering van dezelfde beslissing. Dat geldt ook voor de andere redenen die de bewindvoerster aanvoert voor het kunnen passeren van het beroep op verrekening. Het hoger beroep wordt verworpen.
