Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 16 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9131
Feiten
Werkneemster is per 1 december 2000 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van afdelingssecretaresse. Op 25 juli 2025 hebben partijen een definitieve beëindigingsovereenkomst gesloten. Werkneemster vordert, onder meer, een bedrag van ruim € 3.000 in verband met een jubileumuitkering vanwege een dienstverband van 25 jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat werkneemster niet 25 jaar bij werkgeefster in dienst was, zodat zij op grond van het personeelsregelingenboek in beginsel ook geen recht heeft op de daarbij behorende faciliteiten. Volgens het personeelsregelingenboek telt de uitzendperiode voorafgaand aan het eerste dienstverband bij werkgeefster immers niet mee voor de bepaling van het jubileum. Werkneemster beroept zich echter op de inhoud van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, de wijze waarop deze overeenkomst tot stand is gekomen en de mededelingen die de directeur HR voor het tekenen van de vaststellingsovereenkomst over het dienstjubileum heeft gedaan.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter overweegt dat uit de letterlijke bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst niet volgt dat werkneemster 25 jaar bij werkgeefster in dienst was en zij op grond hiervan aanspraak kan maken op de faciliteiten behorend bij dit dienstjubileum. In de aanhef van de vaststellingsovereenkomst is alleen vermeld dat werkneemster sinds 1 december 2000 werkzaam is bij werkgeefster. Werkzaam bij betekent niet dat werkneemster vanaf die datum ook feitelijk bij werkgeefster in dienst was. Eerst per 1 juni 2001 is werkneemster bij werkgeefster in dienst getreden. Of werkneemster alsnog aanspraak heeft op de dienstgratificatie hangt af van de wijze waarop de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en de uitlatingen die partijen voorafgaand aan het tekenen van de vaststellingsovereenkomst hebben gedaan. De kantonrechter is, los van de vraag of de directeur HR deze mededeling aan werkneemster heeft gedaan - waarvoor nadere bewijslevering noodzakelijk is - van oordeel dat werkneemster gezien de inhoud van haar verzoek en de daarop volgende wijziging van de beëindigingsdatum door werkgeefster er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat 1 december 2000 als basis geldt voor het bepalen van het dienstjubileum en zij op grond van artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst in aanmerking zou komen voor de jubileumgratificatie. Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van werkgeefster gelegen om op dat moment, althans vóór het tekenen van de vaststellingsovereenkomst, duidelijk aan werkneemster kenbaar te maken dat ook bij een beëindigingsdatum van 15 december 2025 geen sprake is van een 25-jarig dienstjubileum en werkneemster dan ook geen aanspraak kon maken op de faciliteiten behorend bij dit jubileum. Het door werkgeefster gevoerde verweer dat de aanspraak op het dienstjubileum niet tijdens de onderhandelingen is benoemd gaat in zoverre ook niet op. Voor zover de directeur HR bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst er ook abusievelijk van uit is gegaan dat er voor einde dienstverband sprake is van een 25-jarig dienstjubileum, en er in die zin sprake is van wederzijdse dwaling, overweegt de kantonrechter dat dit voor rekening en risico van werkgeefster komt. Het door werknemer gevorderde bedrag aan jubileumuitkering is toewijsbaar. De door werkneemster gevorderde bedragen in verband met kosten jubileumviering (€ 500 bruto) en vergoeding van een nader uit te kiezen cadeau (€ 350 bruto) zijn niet toewijsbaar, nu werkgeefster onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld dat werkneemster hier geen aanspraak op kan maken, omdat werkneemster geen kosten van een jubileumviering heeft gemaakt en het jubileumcadeau niet in geld kan worden uitgekeerd. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
