Naar boven ↑

Rechtspraak

Achmea Interne Diensten N.V./werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 8 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:5851
Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof ten aanzien van de afspraak over thuiswerken vanuit Ecuador dat er geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde dan wel verworven recht.

Feiten

Werknemer is op 26 februari 2018 bij Achmea Interne Diensten N.V. (hierna: ‘Achmea’) in dienst getreden. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat werknemer de overeengekomen werkzaamheden verricht vanuit Zwolle. Later is de standplaats gewijzigd in Apeldoorn. In de zomer van 2019 blijken de partner en kinderen van werknemer niet goed te kunnen wennen in Nederland en gaan zij om die reden in januari 2020 terug naar Ecuador waar zij tot 2006 hebben gewoond. In juli 2020 vertrekt ook werknemer naar Ecuador op basis van met Achmea gemaakte afspraken over thuiswerken vanuit Ecuador voor de duur van 12 maanden. De afspraken zijn neergelegd in een door Achmea opgesteld document, gedateerd 26 maart 2020. De afspraak was dat hij na ongeveer twee maanden zou terugkomen, dus in september 2020 en dat hij daarna vanaf oktober 2020 nog drie maanden vanuit Ecuador zou werken. Als gevolg van reisbeperkingen door COVID-19 is hij, in afwijking van die afspraken, pas in oktober 2021 voor het eerst naar Nederland teruggekomen. Daarna is stilzwijgend een gedragslijn ontstaan waarbij werknemer in de jaren 2022, 2023 en 2024 zeven weken vanuit Nederland heeft gewerkt. Op 5 december 2024 laat Achmea werknemer weten dat zij niet langer wil meewerken aan het werken in Ecuador en dat zijn verblijf daar moet worden afgebouwd. In mei 2025 doet Achmea een voorstel voor een overgangsregeling die onder meer inhoudt dat werknemer vanaf 1 februari 2027 zijn werkzaamheden weer in Nederland zal moeten verrichten.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Met werknemer is het hof van oordeel dat het op de weg van Achmea, een grote organisatie met een professionele HR-afdeling, had gelegen duidelijker aan te geven, zowel mondeling als schriftelijk, dat er sprake was van een tijdelijke situatie. Het hof kan echter de stap naar de conclusie dat daarmee sprake is van een arbeidsvoorwaarde, inhoudende dat werknemer tot zijn pensioen vanuit Ecuador voor Achmea mag blijven werken, niet zetten. Het hof is voorts van oordeel dat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan werknemer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij zijn werkzaamheden voor Achmea permanent vanuit Ecuador mocht verrichten. Dat er sprake is van een verworven recht dan wel arbeidsvoorwaarde is aldus niet komen vast te staan. Dit oordeel brengt mee dat het hof niet toekomt aan de vraag of Achmea gerechtigd was dit verworven recht te wijzigen.