Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 22 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2847
Feiten
Werknemer werkte sinds 1 juli 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar bij werkgeefster. Werknemer heeft zich op 15 december 2024 ziek gemeld bij werkgeefster. Uiteindelijk is bij werknemer de diagnose Myasthenia Gravis, een chronische spierziekte, vastgesteld. Werknemer is op 15 april 2025 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 15 april 2025 heeft werkgeefster een viertal redenen voor het ontslag op staande voet genoemd: (i) opzettelijke misleiding van werkgeefster en de bedrijfsarts, (ii) werkweigering, (iii) een ernstige vertrouwensbreuk en (iv) het niet meewerken aan/belemmeren van de re-integratie. Werkgeefster heeft in deze brief vermeld dat uit het observatieverslag van de bedrijfsrecherche blijkt dat werknemer op meerdere dagen in maart 2025 zelfstandig auto heeft gereden en dat werkgeefster heeft geconstateerd dat hij op 13 april 2025 heeft deelgenomen aan de marathon van Rotterdam en dat hij deze ook heeft uitgelopen, terwijl in de rapportage van de bedrijfsarts van 1 april 2025 is opgenomen dat werknemer nog niet zelfstandig auto rijdt en dat er sprake is van beperkingen met betrekking tot langdurige/zware fysieke inspanning. Werknemer heeft zich bij het ontslag neergelegd, maar heeft in eerste aanleg onder meer verzocht om een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter heeft werknemer een billijke vergoeding van € 50.000 toegekend (zie AR 2025-1318). Werkgeefster is in hoger beroep gegaan.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Dringende reden
Het hof neemt het oordeel van de kantonrechter dat er geen sprake is van een dringende reden over en voegt daaraan toe dat de bewijslast van de feiten en omstandigheden die werkgeefster aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd op werkgeefster rust. In de kern lijkt werkgeefster te betogen dat werknemer minder ziek was dan hij deed voorkomen en dat werknemer de bedrijfsarts informatie heeft onthouden, waardoor de bedrijfsarts zich een onjuist oordeel heeft gevormd over de arbeidsongeschiktheid van werknemer en diens mogelijkheden tot re-integratie. Werkgeefster heeft echter niet aan kunnen tonen dat de bedrijfsarts als gevolg van misleiding door werknemer een onjuist advies heeft gegeven.
Billijke vergoeding
Werkgeefster is in hoger beroep zowel opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werkgeefster als tegen de toekenning van een billijke vergoeding van € 50.000 bruto. Het hof komt op dezelfde gronden als die de kantonrechter heeft gehanteerd tot het oordeel dat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daar voegt het hof aan toe dat niet is te begrijpen dat werkgeefster op onderbuikgevoelens werknemer agressief heeft bejegend en hem onnodig en op ongepaste wijze onder grote druk heeft gezet. Daar komt nog bij dat werkgeefster werknemer op staande voet heeft ontslagen op een moment dat hij zich als gevolg van ziekte in een kwetsbare positie bevond. Voor de omvang van de billijke vergoeding is in dit concrete geval het afschrikwekkend doel belangrijk. Werkgeefster heeft verklaard dat zij achteraf bezien wellicht met meer nuance had kunnen handelen, maar heeft geen afstand genomen van het ernstig verwijtbaar gedrag. Werkgeefster ziet de ernstige verwijtbaarheid van haar gedrag kennelijk niet in. Voor het hof is die ernstige verwijtbaarheid evident. Gezien de ernst van het verwijtbaar handelen van werkgeefster en de geringe mate waarin zij hierin inzicht heeft getoond, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een billijke vergoeding waarbij enkel het inkomensverlies van werknemer wordt gecompenseerd. In de gegeven omstandigheden is het hof evenwel van oordeel dat de door de kantonrechter toegewezen billijke vergoeding passend is.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.
