Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 2 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8540
Feiten
Werkneemster is op 1 januari 2025 in dienst getreden bij werkgeefster. Werkneemster is aangenomen voor een functie van 32 tot 40 uur, maar uiteindelijk zijn partijen een dienstverband van 28 uur per week overeengekomen. Tijdens het eerste dienstjaar ontstonden spanningen over onder meer de arbeidsomvang, de werktijden en de beschikbaarheid van werkneemster. Werkgeefster had werkneemster toegestaan om op maandagen thuis te blijven voor de zorg voor haar dochter, waarbij de niet-gewerkte uren later zouden worden ingehaald. Volgens werkgeefster zijn deze uren uiteindelijk niet ingehaald. Desondanks heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met twee jaar verlengd. Wel is tijdens het verlengingsgesprek gesproken over herstel van wederzijds vertrouwen. Op 10 februari 2026 heeft werkneemster zich ziek gemeld vanwege spanningen in de arbeidsrelatie. Op 13 maart 2026 heeft werkneemster laten weten dat zij de ziekte van Pfeiffer (en een zware keelontsteking) heeft en daardoor niet in staat in om te werken. Zij geeft aan door kleine inspanningen al moe te zijn en overdag veel te slapen. Ondanks deze ziekte heeft werkneemster op 27 maart 2026 deelgenomen aan een Hyrox, een fitnesscompetitie waarbij deelnemers acht keer achter elkaar een kilometer hardlopen en vervolgens een fitnessoefening doen. Toen werkgeefster werkneemster hiermee confronteerde was haar reactie dat sporten gezond is. Volgens werkgeefster is er een discrepantie tussen het voorgehouden ziektebeled en de fysieke inspanningen die werkneemster bij de Hyrox heeft moeten leveren. Werkneemster is op 3 april 2026 op staande voet ontslagen. Werkneemster betwist ten eerste dat er sprake is van een dringende reden. Zij heeft zich immers ziekgemeld wegens de spanningen in de arbeidsrelatie, niet wegens de ziekte van Pfeiffer. Daarnaast stelt ze ook dat het aan de bedrijfsarts is om te beoordelen of zij ziek is en wat zij nog wel en niet kan doen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet de spanningen in de arbeidsrelatie of de vraag of zij feitelijk kon deelnemen aan de Hyrox liggen ten grondslag aan het ontslag. Er is sprake van een schending van het vertrouwen van werkgeefster. Partijen hebben eerder met elkaar gesproken over het herstel van vertrouwen om de door werkneemster ervaren spanningen in de arbeidrelatie weg te nemen. Op 1 april 2026 kwam het werkgeefster ter oren dat werkneemster aan een Hyrox had meegenomen, terwijl zij zich twee weken daarvoor nog had ziekgemeld wegens Pfeiffer, waardoor kleine inspanningen al te veel waren. Partijen hadden juist meermaals gesproken over herstel van vertrouwen zodat nu juist het wegvallen van vertrouwen als gevolg van onjuiste mededelingen van werkneemster omtrent haar belastbaarheid, reden geweest is om de arbeidsrelatie onmiddelijk te beëindigen. In het licht van de door werkgeefster geschetste bereidheid om werkneemster te helpen bij het combineren van haar werkrooster met haar privéomstandigheden, is het volgens de kantonrechter niet onbegrijpelijk dat zij alle vertrouwen in verdere samenwerking verloor toen zij hoorde dat werkneemster had meegedaan aan een Hyrox. De kantonrechter is daarom van oordeel dat er voldoende gronden zijn om werkneemster op staande voet te ontslaan. Ook is er voldaan aan de onverwijldheidseis en is de reden voor het ontslag onverwijld medegedeeld aan werkneemster. De transitievergoeding wordt toegekend. Het handelen van werkneemster moet volgens de kantonrechter niet als ernstig verwijtbaar worden aangemerkt. Hiervoor moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden en er mag volgens de kantonrechter dan ook niet snel worden aangenomen dat geen transitievergoeding verschuldigd is. Naast de transitievergoeding heeft werkneemster recht op het nog openstaande loon en de vakantiebijslag tot en met 3 april 2026 en op een vergoeding voor woon-werkverkeer vermeerderd met de wettelijke rente. Er is geen sprake van onverschuldigd betaald loon. Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, worden beide partijen veroordeeld in de eigen proceskosten.
