Naar boven ↑

Rechtspraak

verzoeker/medisch centrum Boerhaave B.V.; medisch centrum Boerhaave Utrecht B.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 oktober 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:7703
Ondanks het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst, nu de gelijkwaardigheid van partijen en de grote mate van zelfstandigheid van de plastisch chirurg doorslaggevend zijn.

Feiten

Boerhaave is een medische kliniek voor plastische chirurgie. A is plastische chirurg en enig bestuurder en aandeelhouder van bedrijf X. Op 24 november 2013 is bedrijf X als “opdrachtnemer” een “samenwerkingsovereenkomst” met Boerhaave Amsterdam en op 23 december 2022 met Boerhaave Utrecht als “opdrachtgever” aangegaan. In deze overeenkomsten staat dat opdrachtnemer werkzaamheden gaat verrichten als plastisch chirurg voor Boerhave. In de overeenkomsten staat onder meer dat de medische specialistische zorg wordt geleverd door A, partijen nadrukkelijk geen arbeidsovereenkomst zijn aangaan en uitsluitend op basis van een overeenkomst van opdracht wensen te werken. In september 2024 heeft A aan Boerhaave kenbaar gemaakt dat hij naast zijn werkzaamheden bij Boerhaave een eigen kliniek wil opstarten. Boerhaave heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 oktober 2024 heeft A namens bedrijf X de samenwerkingsovereenkomsten met Boerhaave opgezegd tegen 1 februari 2025. Op 14 en 16 december hebben werkgerelateerde incidenten plaatsgevonden. Op 6 januari 2025 hebben partijen een gesprek gevoerd, in aanwezigheid van hun advocaten. In dit gesprek heeft Boerhaave de overeenkomsten met A met onmiddellijke ingang wegens dringende redenen beëindigd. A verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding, transitievergoeding en gederfd loon. A legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond die door Boerhaave op onregelmatige wijze is beëindigd.

Oordeel

In artikel 7:610a BW is bepaald dat hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst. Aan deze vereisten is hier voldaan. Uitgangspunt is dan ook dat A vermoed wordt de werkzaamheden te hebben verricht krachtens een arbeidsovereenkomst. Dat vermoeden kan door Boerhaave worden weerlegd. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen (fase 1). Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt (fase 2). Eerst dient dus te worden vastgesteld welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen. Hoewel volgens Boerhaave de mogelijkheid bestaat dat A zich liet vervangen, zijn de overeenkomsten naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk aangegaan met het idee dat het A is die namens bedrijf X de werkzaamheden diende te verrichten. Daarnaast kan de kantonrechter volstaan met de constatering dat kennelijk zonder toestemming van Boerhaave geen andere werkzaamheden mochten worden uitgevoerd. Vervolgens dient te worden beoordeeld of aan de hand van de rechten en plichten van partijen de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Daarvoor zal de kantonrechter de gezichtspunten van de Hoge Raad betrekken en de omstandigheden in onderling verband afwegen. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten kenmerken hebben van zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht. Alles afwegende komt de kantonrechter tot het oordeel dat de overeenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Hierbij wordt met name waarde gehecht aan het feit dat er sprake is van een gelijkwaardige relatie waarbij A grotendeels zelfstandig een volledig variabele omzet maakt. De op deze wijze ontvangen vergoeding is significant hoger dan hij als loon zou kunnen ontvangen. Verder bepaalt hij zelf hoeveel uren en omzet hij maakt en heeft hij een ruime bewegingsvrijheid om zijn werkzaamheden geheel zelfstandig te verrichten. Het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW is dus weerlegd. Nu er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, komen de verzoeken van A niet voor toewijzing in aanmerking.