Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 31 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:7914
Feiten
Partijen hebben de kantonrechter met een brief van 4 september 2025 verzocht om op grond van artikel 96 Rv een beslissing te nemen over de vraag of A valt onder de verplichtstelling van deelneming in Pensioenfonds Vlakglas. Partijen hebben de kantonrechter gevraagd een oordeel te geven over de vraag hoe de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas moet worden uitgelegd. Pensioenfonds Vlakglas stelt zich op het standpunt dat ondernemingen die artikelen van kunststof vervaardigen daar zonder meer onder vallen. Volgens A vallen deze ondernemingen echter alleen onder de werkingssfeer als zij oorspronkelijk met hout werkten en later zijn overgestapt op kunststof.
Oordeel
Pensioenfonds Vlakglas is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet en de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf). De deelneming in Pensioenfonds Vlakglas is op grond van de Wet Bpf verplicht gesteld voor de sectoren Vlakglas, Verf, het Glasbewerkings- en Glazeniersbedrijf en sinds 1 april 2022 ook voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw. A houdt zich bezig met de productie van kunststofproducten in de verlichtings-, zonnepanelen- en medische industrie. Zij had tot 1 juni 2025 een pensioenregeling die was ondergebracht bij Nationale Nederlanden (NN). A heeft zich op 30 maart 2023 bij Pensioenfonds Vlakglas gemeld met het verzoek te beoordelen of zij mogelijk onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt. Pensioenfonds Vlakglas heeft A bij brief van 10 maart 2025 meegedeeld dat A in elk geval vanaf 1 april 2022 verplicht bij haar is aangesloten en dat A in de periode vóór 1 april 2022 bedrijfsactiviteiten heeft verricht die onder de werkingssfeer van Bpf Hout vielen. Pensioenfonds Vlakglas is bereid de premieheffing met terugwerkende kracht te beperken tot 30 maart 2018, op voorwaarde dat A een vrijwaringsverklaring ondertekent waarin zij Pensioenfonds Vlakglas vrijwaart van de financiële gevolgen van vorderingen die verband houden met pensioenaanspraken en/of pensioenrechten die door haar werknemers zijn opgebouwd in de periode vóór 30 maart 2018.
A heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas valt en heeft geweigerd de vrijwaringsverklaring te ondertekenen. Zij heeft zich per 1 juni 2025 vrijwillig aangesloten bij Stichting Pensioenfonds PGB, het bedrijfstakpensioenfonds voor de rubber- en kunststofverwerkende industrie. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de bewoordingen van de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas dat ondernemingen die zich bezighouden met de vervaardiging van artikelen van kunststof onder de werkingssfeer vallen en kan hierin niet worden gelezen dat ondernemingen alleen onder de verplichtstelling vallen als zij oorspronkelijk met hout werkten en later zijn overgestapt op kunststof. De omstandigheid dat A vóór 1 april 2022 niet bij Bpf Hout werd aangesloten en nu wel bij Pensioenfonds Vlakglas, terwijl de werkingssfeer ongewijzigd is gebleven, kan bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling echter geen rol spelen. Een werkingssfeerbepaling moet immers naar objectieve maatstaven worden uitgelegd en het beleid dat een bedrijfstakpensioenfonds in het verleden heeft gevoerd is daarbij niet relevant. Pensioenfonds Vlakglas erkent dat sociale partners een mogelijke wijziging van de werkingssfeer hebben besproken en dat het niet hun bedoeling is geweest om fabrikanten van artikelen van kunststof aan te sluiten. Zij stelt echter terecht dat uitspraken en bedoelingen van sociale partners en de mededeling van de vertegenwoordiger van AZL op 18 juli 2023 niet relevant zijn in het kader van de uitleg van de werkingssfeerbepaling. De cao-norm brengt immers mee dat de bedoelingen of motieven van partijen slechts relevant zijn voor zover deze in de tekst van de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting (hier: het verplichtstellingsbesluit) zijn neergelegd. Dat is hier niet het geval. De conclusie luidt daarom dat A onder de verplichtstelling van Pensioenfonds Vlakglas valt. De bewoordingen van de werkingssfeerbepalingen zijn voldoende duidelijk en het rechtsgevolg van de uitleg die Pensioenfonds Vlakglas aan deze bepaling geeft, is ook niet onaannemelijk. Omdat de werkingssfeerbepaling van Bpf Hout hetzelfde was als de werkingssfeerbepaling van Pensioenfonds Vlakglas, betekent dit dat A voorheen onder de verplichtstelling van Bpf Hout viel en vanaf 1 april 2022 onder de verplichtstelling van Pensioenfonds Vlakglas. Dit geldt ook voor de periode vanaf 1 juni 2025. A is per die datum weliswaar vrijwillig aangesloten bij Stichting pensioenfonds PGP, maar dit levert geen uitzondering op de verplichtstelling op. De kantonrechter stelt op basis van de brieven van partijen van 10 en 11 december 2025 vast dat zij het niet eens zijn over de vraag of zij de overeenkomst ter uitvoering waarvan zij op grond van artikel 96 Rv het huidige verzoek hebben ingediend nog willen wijzigen en zo ja, hoe het verzoek na die wijziging dan precies komt te luiden. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om deze procedure aan te houden tot 1 april 2026 om partijen de tijd te geven zich te beraden over de gevolgen van het oordeel dat A onder de verplichtstelling valt en overeenstemming te bereiken over de vraag of zij het ingediende gezamenlijk verzoek nog zullen wijzigen.
