Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 augustus 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8966
Feiten
Aenergie is een bedrijf dat collectief elektriciteit en gas inkoopt voor woningbouwcorporaties, zorginstellingen en VvE’s. Daarnaast biedt Aenergie haar klanten ook diensten aan zoals tussenlevering, een factuurservice en het plaatsen van slimme meters. Werkneemster is op 1 april 2017 bij Aenergie in dienst getreden in de functie van sales- en accountmanager. In haar arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Werkneemster heeft haar arbeidsovereenkomst met Aenergie op 23 april 2026 opgezegd per 1 september 2026. Ook heeft werkneemster aan Aenergie kenbaar gemaakt per 1 september 2026 bij EnergieLive in dienst te willen treden. EnergieLive is een energieadviesbureau dat zich richt op alle branches in Nederland. EnergieLive werkt met enkele inkoopcollectieven, waarbij woningcorporaties, zorginstellingen en VvE’s ook onderdeel van de klantenportefeuille uitmaken, zij het slechts een klein percentage van de totale klantenportefeuille. Daarnaast is EnergieLive een fullservicebureau, wat betekent dat zij alle energievragen van haar klanten oppakt, waaronder verduurzaming en energiefacturatie. Aenergie vordert om werkneemster tot 1 september te verbieden in dienst te treden bij EnergieLive, onder verbeurte van een dwangsom. Werkneemster en Energielive vorderen om te verklaren dat het concurrentiebeding niet wordt geschonden door indiensttreding van werkneemster bij EnergieLive.
Oordeel
In dit kort geding is de vraag aan de orde of voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure het concurrentiebeding in stand zal houden dan wel zal vernietigen. Aenergie als EnergieLive zijn beide ondernemingen die actief zijn op het gebied van de collectieve inkoop van energie voor onder meer woningbouwcorporaties, zorginstellingen en VvE’s. Weliswaar richt EnergieLive zich, anders dan Aenergie, op alle branches, en vormen woningbouwcorporaties, zorginstellingen en VvE’s daarbinnen slechts een klein deel van haar klantenportefeuille, maar dit neemt niet weg dat beide ondernemingen op de relevante deelmarkt – de collectieve inkoop van energie ten behoeve van deze specifieke doelgroep – rechtstreeks met elkaar concurreren. Gelet op het voorgaande volgt de kantonrechter werkneemster en EnergieLive niet in hun betoog dat de feitelijke activiteiten van EnergieLive buiten de reikwijdte van het concurrentiebeding vallen. Uitgangspunt is dan ook dat Aenergie recht en belang heeft bij het handhaven van het concurrentiebeding, en dat het concurrentiebeding in beginsel aan indiensttreding door werkneemster bij EnergieLive in de weg staat. De kantonrechter moet daarom beoordelen of in verhouding tot het te beschermen belang van Aenergie als werkgever, werkneemster als werknemer, onbillijk wordt benadeeld en er dus op grond van de belangenafweging van artikel 7:653 lid 3 onder b BW reden is om tot (gedeeltelijke) schorsing van het concurrentiebeding over te gaan. Voldoende aannemelijk is dat werkneemster in haar functie bij Aenergie beschikte over kennis van prijsstelling, marges, contractvoorwaarden en de commerciële strategie van Aenergie, als ook over persoonlijke, langdurig opgebouwde relaties met vrijwel alle klanten van Aenergie. Dat werkneemster sinds een paar maanden geen toegang meer heeft tot de systemen van Aenergie, doet aan het bestaan en de actualiteit van deze kennis niet wezenlijk af. Aenergie wil geen (potentiële) klanten verliezen en dat is een rechtmatig te beschermen belang. Het is niet ondenkbaar dat concurrentiegevoelige informatie bij indiensttreding van werkneemster bij EnergieLive, binnen EnergieLive bekend zal worden en zal worden gebruikt om klanten van Aenergie tot een overstap naar EnergieLive te bewegen. Dat risico wordt in dit geval versterkt doordat Aenergie actief is in een nichemarkt met een beperkt aantal potentiële klanten, zodat het overstappen van ook maar een deel van de klanten van Aenergie naar EnergieLive haar onevenredig zwaar zou kunnen treffen. Het belang van werkneemster bij vrije arbeidskeuze en bij het werken bij een groter bedrijf met meer doorgroeimogelijkheden, zijn op zichzelf te respecteren belangen. Deze belangen wegen in dit geval echter niet op tegen het belang van Aenergie. Daarbij is ook van belang dat werkneemster er met de overstap naar EnergieLive niet financieel op vooruitgaat, zodat van een aanmerkelijke (financiële) positieverbetering geen sprake is. Verder is van belang dat het concurrentiebeding is beperkt tot een periode van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter geen onredelijk lange termijn is. Ten slotte heeft Aenergie werkneemster aangeboden haar financieel schadeloos te stellen voor de duur van het concurrentiebeding, zodat het beding werkneemster weliswaar beperkt in haar keuze om per direct bij EnergieLive in dienst te treden, maar niet zonder meer tot een onaanvaardbare inkomensterugval leidt. Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat het belang van Aenergie bij handhaving van het concurrentiebeding zwaarder weegt dan het belang van werkneemster bij de overstap naar EnergieLive. Wel is de kantonrechter van oordeel dat, nu werkneemster vanaf 1 juni 2026 afgesneden is van bedrijfsgevoelige informatie en klantencontacten, de periode waarin het concurrentiebeding gelding heeft, kan worden beperkt tot 1 juni 2027. Voor schorsing of matiging van het beding op de voet van artikel 7:653 lid 3 sub b BW bestaat verder geen aanleiding, zodat de vorderingen in reconventie worden afgewezen. Aenergie heeft gevorderd aan de op te leggen verboden een dwangsom te verbinden van € 25.000 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. De kantonrechter ziet aanleiding een andere dwangsom te verbinden aan de veroordeling en gaat daarbij het gevorderde niet te boven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de dwangsom naar haar aard bedoeld is als financiële prikkel om nakoming van het opgelegde verbod te bevorderen, en niet als schadevergoeding. De kantonrechter zal de dwangsom daarom vaststellen op € 35.000 ineens bij overtreding van het verbod.
