Naar boven ↑

Rechtspraak

V.O.F./gedaagde
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 27 augustus 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:11544
Geldvordering. Kwalificatievraagstuk: is sprake van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?

Feiten

Een ontbonden vof met twee vennoten (hierna: vof) eist in deze zaak betaling van € 10.296,73 met bijkomende kosten. Daarvoor heeft zij het volgende aangevoerd. Vof en gedaagde hebben met elkaar samengewerkt op basis van een overeenkomst van opdracht. Vennoten 1 en 2 handelden daarbij als vennoten van de vof. Uit hoofde van de overeenkomst heeft gedaagde als zzp’er (met haar toenmalige eenmanszaak) detectiewerkzaamheden met een diensthond voor de vof verricht. Tijdens de samenwerking heeft de vof diverse bedragen in het kader van de opleiding van gedaagde voorgeschoten en haar ook een lening van € 3.000 verstrekt. Op 21 januari 2025 heeft gedaagde de samenwerking per direct beëindigd. Vof eist nu terugbetaling van de voorgeschoten bedragen, het restant van de lening, een beëindigingsvergoeding en transportkosten voor materiaal dat ingeleverd had moeten worden. Gedaagde is het niet eens met de eis. Volgens haar is er geen sprake van een overeenkomst van opdracht, maar van een arbeidsovereenkomst. Ook is er geen sprake van een lening, maar van een voorschot. In reconventie vordert gedaagde dat de vof, en bij gebrek aan verhaal vennoten 1  en 2 (hoofdelijk aansprakelijk), primair achterstallig loon, vakantietoeslag, vakantiedagen en wettelijke verhoging dan wel subsidiair het restant van haar factuur van 21 januari 2025 aan haar moeten betalen.

Oordeel

De vof is niet-ontvankelijk

De kantonrechter stelt vast dat de onderneming inmiddels was ingebracht in een bv en dat de vof is ontbonden. Daardoor zijn eventuele vorderingen overgegaan naar die bv. De vof kan daarom niet meer zelf de procedure voeren. Gelet op de niet-ontvankelijkheid van de vof komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in conventie.

Kwalificatie van de overeenkomst

De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht, onder meer omdat het contract als een overeenkomst van opdracht was opgesteld. Gedaagde wilde juist zelf - na juridisch advies te hebben ingewonnen - voorkomen dat er sprake zou zijn van schijnzelfstandigheid. Zij had een eigen eenmanszaak van waaruit zij op basis van een uurtarief van € 35 factureerde voor haar werkzaamheden. Ook had zij zakelijke verzekeringen afgesloten. Vervolgens had zij een eigen auto aangeschaft voor het werk. Omdat de overeenkomst van partijen wordt gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht, wordt aan de primaire eis van gedaagde voorbijgegaan. De subsidiaire eis tot betaling van het achterstallige loon van € 591,55 inclusief btw, welke vordering door de vof is erkend, wordt toegewezen.