Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 2 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:25327
Feiten
Werknemer is per 1 juli 2021 in dienst getreden bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao (hierna: KGMC), aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van de ambtsperiode van de toenmalige Gevolmachtigd Minister (GevMin) – zijn broer – en sinds 1 juli 2024 voor onbepaalde tijd. Tijdens een plenaire vergadering in maart 2025 heeft werknemer zijn broer beschuldigd van corruptie, onder verwijzing naar een heimelijke audio-opname. Nadien is discussie ontstaan over de eerder door werknemer ondertekende verklaringen waarin hij deze beschuldiging afzwakte en waarop hij later terugkwam. Het KGMC heeft werknemer per 1 september 2025 op non-actief gesteld. Uit intern onderzoek bleek voorts dat werknemer betrokken is geweest bij een onderneming van een derde en gebruik heeft gemaakt van de ambtswoning van de GevMin. Het KGMC verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op de e-grond. Subsidiair wordt ontbinding verzocht op de g-, d- en i-grond. Werknemer verzoekt primair afwijzing van het ontbindingsverzoek en subsidiair toekenning van een transitie- en billijke vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de arbeidsovereenkomst is een expliciete keuze gemaakt voor Nederlands recht, zodat het Nederlandse recht daarop van toepassing is. Van verwijtbaar handelen is geen sprake. Zo is de enkele omstandigheid dat werknemer de beschuldigingen over de GevMin tijdens de plenaire vergadering heeft besproken, onvoldoende om een redelijke grond voor ontslag aan te nemen. De kantonrechter acht het namelijk niet onvoorstelbaar dat werknemer ervan is uitgegaan dat er tijdens deze vergadering ruimte bestond om zijn eigen zorgen naar voren te brengen. Ook is van belang dat niet is gebleken dat andere aanwezigen naar aanleiding van de geuite beschuldigingen melding hebben gemaakt van de kwestie bij het door het KGMC genoemde instanties. Het KGMC heeft daarnaast onvoldoende duidelijk gemaakt dat werknemer verantwoordelijk zou zijn voor de verspreiding van de audio-opnames. Het uiten van een dergelijke beschuldiging kan op zichzelf niet zonder meer als verwijtbaar handelen worden aangemerkt indien achteraf blijkt dat de beschuldiging in de kern juist is. Zolang niet vaststaat dat werknemer een ongefundeerde of onjuiste beschuldiging heeft geuit, rechtvaardigt dit verwijt niet zelfstandig de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De schending van het nevenwerkzaamhedenbeding en het gebruik van de ambtswoning (met toestemming van de GevMin) zijn verder onvoldoende ernstig om de ontbinding te dragen. Nu het gestelde verwijtbaar handelen niet is komen vast te staan, ontvalt daarmee ook een belangrijk deel van de feiten en omstandigheden die aan de g-grond ten grondslag zijn gelegd. De kantonrechter ziet daarnaast niet in waarom werknemer onder de huidige GevMin geen nieuwe start zou kunnen maken. Van een voldragen d-grond is ook geen sprake, mede omdat het KGMC tekort is geschoten in het aanbieden van een verbetertraject. Het KGMC heeft niet toegelicht om welke reden de combinatie van de onvoldragen gronden de ontbinding toch rechtvaardigt. De conclusie is dan ook dat het verzoek van het KGMC tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werknemer geheel wordt afgewezen. Het KGMC wordt in de proceskosten veroordeeld.
