Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 1 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2421
Feiten
Eisers waren tot 2024 dan wel 2025 werkzaam bij Grand Relocation B.V. (hierna: GR), een makelaarskantoor in Amsterdam. GR heeft op 22 mei 2026 een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt waarin zij – kort gezegd – stelde dat zij erachter is gekomen dat eisers ten tijde van hun dienstverband, vermoedelijk sinds 2021, in georganiseerd verband een schaduwonderneming hebben opgezet en geëxploiteerd. Volgens GR hebben eisers klanten, opdrachten en omzet van GR weggesluisd naar hun eigen eenmanszaken en privérekeningen. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, samengevat en voor zover van belang, eisers op straffe van een per persoon te verbeuren dwangsom veroordeeld om aan GR afschrift te verstrekken van verschillende bescheiden, waaronder boekhoudbestanden en bankafschriften, en opgave te doen van onder meer klanten, deals en ontvangen bedragen en heeft de voorzieningenrechter eisers verboden om administratie te verwijderen, gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie van GR en relaties van GR te benaderen. Eisers hebben in een door hen aanhangig gemaakt executiegeschil met op artikel 438 lid 2 Rv en artikel 611 Rv gegronde vorderingen onder meer gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, althans van de dwangsomveroordeling, wordt geschorst totdat in hoger beroep is beslist, GR wordt verboden het vonnis in die periode te executeren dan wel dat een andere passende voorziening wordt getroffen. Bij kortgedingvonnis van 9 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter op grond van artikel 611 Rv de aan de veroordelingen verbonden dwangsom opgeheven voor zover deze ziet op de overlegging van per persoon en per categorie geconcretiseerde bescheiden die niet (meer) kunnen worden afgegeven en overwogen dat betalingen die niets met de zaak van doen hebben op de bankafschriften mogen worden weggelakt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Daarmee is de op artikel 438 lid Rv gegronde vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afgewezen.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat een geëxecuteerde, naast het recht om in kort geding een vordering tot schorsing van de executie in te stellen op grond van artikel 438 lid 2 Rv, in beginsel ook het recht toekomt een soortgelijke vordering door middel van een incident op grond van artikel 351 Rv in te stellen in hoger beroep. Is echter, voordat in het incident in hoger beroep uitspraak is gedaan, de vordering tot schorsing of staking krachtens artikel 438 lid 2 Rv afgewezen en zijn door de veroordeelde geen feiten of omstandigheden gesteld die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen, dan kan het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering krachtens artikel 351 Rv niet toekomen omdat deze in dat geval moet worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. In dat geval zou immers dezelfde vordering wederom aan de rechter worden voorgelegd zonder dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestaat. Eisers hebben in deze procedure geen feiten en omstandigheden aangevoerd die een hernieuwde beoordeling van de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid rechtvaardigen. Het hof zal daarom de primaire vordering van eisers strekkend tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad afwijzen wegens strijd met de goede procesorde. Overigens is niet gebleken van een kennelijke misslag en leidt een afweging van de wederzijdse belangen op de voet van artikel 351 Rv niet tot een andere uitkomst. De subsidiaire vordering om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde te stellen dat zekerheid wordt gesteld deelt het lot van de primaire vordering, nog daargelaten dat niet valt in te zien welk belang eisers hebben bij het stellen van zekerheid in de zich hier voordoende situatie waarin hun gesteld belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging met name is gelegen in de onomkeerbaarheid van de bevolen verstrekking van gegevens. Voor het treffen van enige andere voorziening bestaat geen aanleiding. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
