Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemsters/werkgever
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 18 augustus 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5238
Werkneemsters zijn ten onrechte op staande voet ontslagen. Werkgever heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en wordt veroordeeld tot betaling van verschillende vergoedingen. Verstek.

Feiten

Werkgever exploiteert een eenmanszaak in de installatietechniek/loodgietersbranche. Werkneemster 1 is op 1 december 2025 in dienst getreden in de functie van manager voor 36 uur per week met een salaris van € 3.000 netto per maand en werkneemster 2 op resp. 12 januari 2026 in de functie van assistent-manager op oproepbasis met een salaris van € 16 bruto per uur. Werkneemsters hebben sinds maart 2026 geen loon ontvangen. Zij hebben hier vragen over gesteld aan werkgever en zijn accountant. De accountant heeft laten weten dat zij beiden in april 2026 op staande voet zijn ontslagen door werkgever. Werkneemsters verzoeken een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomsten tussen hen en werkgever onregelmatig zijn opgezegd. Zij berusten na wijziging van hun verzoeken in het einde van de arbeidsovereenkomst en verzoeken de kantonrechter om werkgever te veroordelen tot het betalen van verschillende vergoedingen. Werkgever is niet verschenen in de procedure.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn werkneemsters beiden in april 2026 zonder grond op staande voet ontslagen en daarom worden de verklaringen voor recht dat de arbeidsovereenkomsten onregelmatig zijn opgezegd in april 2026, toegewezen. De kantonrechter oordeelt dat werkneemsters voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat zij recht hebben op een vergoeding van (in ieder geval) € 2.000 bruto per persoon wegens onregelmatige opzegging. Vanwege het eindigen van de arbeidsovereenkomst hebben werkneemsters ook recht op een transitievergoeding van het bruto-equivalent van € 279 respectievelijk € 126,85. Werkneemsters hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Dat is ernstig verwijtbaar en werkgever moet daarom een billijke vergoeding betalen. Ook hebben werkneemsters voldoende onderbouwd dat hun inkomensschade (minimaal) € 16.000 respectievelijk € 18.000 is en daarom worden deze bedragen toegewezen. Werkneemsters hebben voldoende gesteld dat werkgever het loon over de maand maart niet heeft uitbetaald terwijl hij hier wel toe verplicht was. De kantonrechter veroordeelt werkgever tot het betalen van het achterstallige loon over de maand maart 2026. Daarnaast moet werkgever € 2.146,65 vergoeden voor kosten en boetes rond een bedrijfsauto en moet hij meewerken aan wijziging van de tenaamstelling van die auto.