Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23108
Feiten
Werknemer is sinds 1989 werkzaam bij De Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Dienst Vervoer en Ondersteuning) (hierna: DV&O). Vanaf 22 april 2025 is werknemer door DV&O uitgezonden naar de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN) te Bonaire. Aanvankelijk zou de uitzending duren tot 1 december 2025, maar de uitzendovereenkomst is door de JICN op 30 september 2025 vroegtijdig opgezegd tegen 1 november 2025. Tijdens de uitzending zou een ‘vuurwapenincident’ hebben plaatsgevonden. Werknemer is per 3 oktober 2025 ziekgemeld. Nadat werknemer in Nederland door de bedrijfsarts is gezien, is hij op enig moment weer teruggekeerd naar Bonaire. Partijen hebben vervolgens meerdere malen met elkaar gecorrespondeerd over (de noodzaak van) het verblijf van werknemer op Bonaire, het al dan niet gestart zijn van het behandelingstraject van werknemer en zijn mogelijkheden om behandeling te ondergaan in Nederland, meer in het bijzonder bij zorgaanbieder HSK. Op 21 mei 2026 heeft DV&O aangekondigd het loon van werknemer per 22 mei 2026 stop te zetten, omdat werknemer niet kon onderbouwen dat hij is gestart met een behandeling op Bonaire en niet kon onderbouwen dat hij in januari 2026 op de wachtlijst van zorgaanbieder HSK is geplaatst voor behandeling in Nederland, althans door onvoldoende mee te werken aan het overzetten van zijn behandeling naar Nederland. Per e-mail van 11 juni 2026 heeft DV&O aan werknemer bericht dat de loonbetalingen met ingang van 28 mei 2026 ook zijn stopgezet wegens het niet fysiek verschijnen van werknemer op zijn afspraak met de bedrijfsarts en zijn leidinggevende die dag. Werknemer staat sinds juni 2025 ingeschreven bij de gemeente Bonaire. Hij heeft op 14 september 2026 een afspraak bij de gemeente Bonaire om zich weer te laten uitschrijven. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werknemer DV&O te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 22 mei 2026 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, inclusief de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. DV&O voert allereerst inhoudelijk aan dat werknemer geen aanspraak kan maken op betaling van zijn loon, omdat het niet verrichten van de arbeid in redelijkheid voor zijn rekening behoort te komen, zoals bedoeld in artikel 7:628 BW. Volgens DV&O volgt dit uit het feit dat werknemer zonder overleg blijvend is verhuisd naar Bonaire, terwijl de bedongen arbeid plaats moet vinden in Nederland. De kantonrechter oordeelt dat niet ter discussie staat dat werknemer sinds 3 oktober 2025 volledig arbeidsongeschikt is. Het niet verrichten van de arbeid door werknemer staat dus los van zijn verblijf op Bonaire, in die zin dat hij als gevolg van arbeidsongeschiktheid hoe dan ook niet in staat is om de arbeid te verrichten. Het maakt daarvoor niet uit dat werknemer zich al in juni 2025 op Bonaire heeft laten inschrijven, nu werknemer heeft toegelicht dat zijn oorspronkelijke plan was om na zijn uitzending in Bonaire daar een sabbatical te nemen. DV&O stelt zich verder op het standpunt dat de loonstop die zij per 22 mei 2026 aan werknemer heeft opgelegd en op 11 juni 2026 heeft herbevestigd, terecht is opgelegd. In dat kader stelt de kantonrechter vast dat de bedrijfsarts in zijn terugkoppeling van het consult van 20 maart 2026 heeft geschreven dat het herstelproces van werknemer is gestagneerd als gevolg van het nog niet gestart zijn van een behandeling. In het licht van deze terugkoppeling is het redelijk dat DV&O aan werknemer heeft gevraagd om te onderbouwen dat hij al aan een behandeling is begonnen, zoals hij eerder in zijn correspondentie aan DV&O heeft verteld. De kantonrechter acht dit verzoek van DV&O een redelijk voorschrift in de zin van artikel 7:629 lid 3 sub d BW. Verder staat vast dat werknemer voorafgaand aan deze procedure niet dan wel afwijzend op dat verzoek heeft gereageerd naar DV&O en pas bij dagvaarding de verzochte onderbouwing heeft aangeleverd door middel van een overzicht van zijn afspraken bij Mental Health Caribbean. Daarmee acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de door DV&O opgelegde loonstop in een bodemprocedure in ieder geval stand zal houden op de grond dat werknemer tot aan het overleggen van dat overzicht niet heeft voldaan aan een redelijk voorschrift van DV&O in de zin van artikel 7:629 lid 3 sub d BW. Het voorgaande laat echter onverlet dat werknemer het bedoelde overzicht bij zijn dagvaarding wel over heeft gelegd, zodat de loonstop inmiddels niet meer op deze grond door DV&O kan worden gehandhaafd. Ditzelfde geldt voor de andere gronden. Zo heeft werknemer ook producties ingebracht waaruit blijkt dat hij aan HSK vraagt hem in te plannen voor een intakegesprek en ook is gebleken dat werknemer medisch in staat is om naar Nederland af te reizen. De conclusie is dus dat aannemelijk is geworden dat de loonstop in eerste instantie terecht is opgelegd, maar ook aannemelijk is geworden dat per de datum van de mondelinge behandeling van 28 juli 2026 geen grond meer bestaat voor DV&O om de opgelegde loonstop te handhaven. De kantonrechter zal daarom de vordering van werknemer slechts toewijzen voor zover deze betrekking heeft op het loon over de periode vanaf 28 juli 2026.
