Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22514
Feiten
Werkneemster is per 1 juni 2011 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van medewerkster op de economische en commerciële afdeling van ICEX España Exportación e Inversiones, E.P.E. (hierna: ICEX). Werkneemster verrichtte haar werkzamheden op het kantoor van de Spaanse Afdeling voor Economie en Handel te Den Haag. In de arbeidsovereenkomst is aangegeven dat het Nederlandse recht van toepassing is op de overeenkomst en is een forumkeuze voor de Nederlandse rechter opgenomen. Bij brief van 24 mei 2022 aan ICEX, althans de Spaanse staat, hebben werkneemster en haar collega’s bericht dat de vakantiebijslag geen onderdeel van het brutosalaris uitmaakt en verzocht om naleving van de Nederlandse wet hieromtrent. Bij brief van 13 juni 2024 aan ICEX, althans de Spaanse staat, heeft werkneemster via een gemachtigde herhaald dat geen vakantiebijslag is uitbetaald en verzocht om voldoening van de verschuldigde bedragen met terugwerkende kracht per 1 juni 2011 binnen een maand. Bij brief van 24 juli 2024 heeft ICEX, althans de Spaanse staat, te kennen gegeven dat alle salariscomponenten zijn opgenomen in het brutoloon. Bij brieven van 28 november 2024 en 10 april 2025 hebben gemachtigden van werkneemster opnieuw aangegeven dat vakantiebijslag verschuldigd is en verzocht tot betaling van het verschuldigde bedrag met terugwerkende kracht tot 2 juni 2011. Werkneemster is per 1 november 2025 uit dienst getreden. Werkneemster vordert de betaling van de verschuldigde vakantiebijslag en wettelijke rente.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De Spaanse staat is werkgever van werkneemster en het Nederlandse recht is van toepassing op de arbeidsovereenkomst. Werkneemster heeft op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag recht op vakantiebijslag. De vermelding van ‘pagas extraordinarias’ in de arbeidsovereenkomst betekent niet dat de Nederlandse vakantiebijslag in het loon was inbegrepen, zoals de Spaanse staat stelt. Deze term ziet namelijk op de in Spanje gebruikelijke dertiende en veertiende maand. Ook de vacaturetekst kan niet het standpunt steunen dat het loon all-inclusive was overeengekomen, aangezien die geen onderdeel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst. Ook is op de loonstroken geen post opgenomen die verwijst naar vakantiebijslag, terwijl een werkgever verplicht is dit te specificeren. Dit betekent dat de vakantiebijslag is verschuldigd, maar niet is betaald. Over de verjaardheid van de vordering geldt het volgende. De brief van 13 juni 2024 heeft de verjaring gestuit, zodat de nakomingsvordering vanaf 1 juli 2019 in ieder geval niet is verjaard. Voor de eerdere periode heeft werkneemster recht op schadevergoeding. De Spaanse staat heeft zijn wettelijke informatieplicht geschonden door werkneemster bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst niet afzonderlijk over haar recht op vakantiebijslag te informeren. Werkneemster ontdekte haar recht op vakantiebijslag pas op 25 mei 2022, waardoor de verjaringstermijn van de schadevergoedingsvordering niet eerder was aangevangen. Ook het beroep van de Spaanse staat op de klachtplicht van werkneemster faalt. Al sinds de brief van 24 mei 2022 is de Spaanse staat op de hoogte van de aanspraak van werkneemster en het is, gelet op de schending van de informatieplicht door de Spaanse staat, niet vast komen te staan dat werkneemster hierover eerder had kunnen klagen. De Spaanse staat wordt veroordeeld tot betaling van vakantiebijslag over het deel van de aanspraak dat niet zou zijn verjaard, en schadevergoeding over het deel daarvoor. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 30 procent omdat niet is gebleken dat bewust niet is betaald, maar werkneemster door het jarenlang ontbreken van vakantiebijslag wel is benadeeld. De vordering tegen ICEX wordt afgewezen en de kosten in die verhouding worden gecompenseerd. De Spaanse staat wordt in de proceskosten veroordeeld.
