Naar boven ↑

Rechtspraak

Shell Global Solutions International B.V./werknemer
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 14 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22827
Ontbindingsverzoek op de a-grond na wereldwijde reorganisatie Shell afgewezen. Effecten herstructurering in het buitenland, ten behoeve waarvan werknemer ook werkzaamheden verrichtte, onderbelicht, doelmatigheid ‘fictief virtueel’ maken arbeidsplaatsen onvoldoende onderbouwd.

Feiten

Werknemer is per 1 december 2004 in dienst getreden bij Shell Global Solutions International B.V. (hierna: Shell). Werknemer is werkzaam binnen het bedrijfsonderdeel Development, Subsurface & Wells and Exploration, Strategy & Portfolio (hierna: SGSI). In september 2025 heeft Shell een voorlopige ontslagaanvraag ingediend op basis van bedrijfseconomische redenen, omdat op grond van een wereldwijde herstructurering binnen de Shell Groep de arbeidsplaats van werknemer vervallen is. De aanvraag is in februari 2026 afgewezen, omdat Shell volgens het UWV onvoldoende heeft verantwoord dat het voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is om structureel de arbeidsplaats van werknemer te laten vervallen. Werknemer staat sinds 1 april 2025 op non-actief, zijn salaris wordt doorbetaald. Shell verzoekt, onder meer, ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De noodzaak van de wereldwijde herstructurering en de wijze waarop daar uitvoering aan is gegeven wordt niet beoordeeld. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af. Uit de functieomschrijving van werknemer zijn de concrete taken en bevoegdheden moeilijk te doorgronden. Dat Shell streeft naar een wereldwijd efficiëntere, (kosten)effectievere organisatiestructuur, die de herstructurering noodzakelijk maakt, is op zichzelf genomen onvoldoende ondersteuning voor een bedrijfseconomische reden, omdat elke commerciële organisatie altijd uit is op winstmaximalisatie. Waar het op aan komt, is of voldoende ondersteuning wordt geboden dat er een bedrijfseconomische noodzaak is dat de arbeidsplaats van werknemer vervalt. De kantonrechter kan volgen dat de aangevoerde economische ontwikkelingen nopen tot een meer wereldwijde aanpak van de upstream-activiteiten van de Shell Groep. Maar waar regionaal wellicht sprake is van een teruglopende winning van olie en gas, zal Shell globaal nog fors betrokken blijven bij de winning van olie en gas. Naar het oordeel van de kantonrechter beperkt SGSI zich te veel tot algemeenheden als het gaat om de onderbouwing van de noodzaak van de Vulcan-herstructurering en op de effecten daarvan voor de werkgelegenheid in Nederland, maar blijven de effecten van de herstructurering in het buitenland onderbelicht en ontbreekt ook een afdoende toelichting waarom het fictief virtueel maken van arbeidsplaatsen ten dienste staat van een doelmatige bedrijfsvoering. De kantonrechter begrijpt dat SGSI de vrijheid wil hebben om te beslissen door wie en vanaf welke werkplek zij een bepaalde functie wil laten uitvoeren en die vrijheid heeft zij in beginsel ook. Maar in het geval SGSI functies, die voorheen fysiek vanuit Nederland werden uitgevoerd, in het digitale tijdperk in of vanuit het buitenland wil laten uitvoeren door een virtueel team, dat decentraal en met digitale middelen met elkaar communiceert, ontkomt zij er in het kader van de toepassing van de beleidsregels niet aan de beslissing om over te gaan tot een dergelijke wijze van werken deugdelijk te onderbouwen. Shell gaat eraan voorbij dat er weliswaar geen wettelijke regel is die voorschrijft dat een functie alleen en altijd vanuit Nederland moet worden uitgeoefend, maar wel dat in het geval van het verval van een arbeidsplaats in Nederland er een voorschrift is dat aangetoond moet worden dat een en ander ten dienste staat van een doelmatige bedrijfsvoering. Aan de discussie rondom herplaatsing komt de kantonrechter niet toe. Het verzoek om performancebeoordelingen van werknemer aan te passen zal de kantonrechter afwijzen. In deze procedure staan hem onvoldoende handvatten ter beschikking om tot een andere beoordeling van het functioneren van werknemer te komen dan dat SGSI dat gedaan heeft. Het verzoek om werknemer uit te nodigen voor een herplaatsingsgesprek en hem actief te begeleiden naar een andere functie zal worden toegewezen. De kantonrechter zal aan deze verplichting geen dwangsom verbinden, omdat SGSI op geen enkele wijze de indruk heeft gewekt dat zij geen gevolg zal geven aan een rechterlijke uitspraak in dat verband. Omdat de kantonrechter niet kan en niet zal treden in de beoordeling van het functioneren van werknemer voorafgaand aan zijn op non-actiefstelling zullen de verzoeken van werknemer om hem een bonus te betalen en een herberekening van zijn salaris worden afgewezen. Shell wordt in de proceskosten veroordeeld.