Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21 augustus 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10249
Feiten
Werknemer is per 1 november 2024 in dienst getreden bij Unsal Infratechniek B.V. (hierna: Unsal). Werknemer stelt dat ten onrechte een bedrag van ruim € 6.000 aan vakantie-uren is ingehouden. Werknemer is in juli en augustus 2024 tijdens zijn arbeidsongeschiktheid weliswaar naar Spanje geweest, maar dit kan niet als vakantie gezien worden. Werknemer vordert een veroordeling van Unsal tot betaling van dit bedrag.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Unsal heeft erkend nog ruim € 900 aan vakantie-uren aan werknemer te moeten betalen en wordt veroordeeld dit aan werknemer te betalen met een wettelijke verhoging van 25%. Voor het toekennen van een hogere wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding. Werkgever heeft het loon van werknemer steeds op tijd betaald. Dat dit bedrag aan vakantie-uren bij de eindafrekening niet aan werknemer is betaald, lijkt niet meer te zijn geweest dan een vergissing. Voor het toekennen van een hoger bedrag aan vakantie-uren is geen aanleiding. Werknemer was vanaf enig moment in 2024 arbeidsongeschikt. Tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid moet werknemer - samengevat gezegd - meewerken aan re-integratie. Dit houdt onder meer in dat als werknemer naar Spanje wil tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, hij daarvoor toestemming moet vragen aan Unsal. Dit geldt ook als werknemer, zoals in deze zaak, voor zijn vakantie naar Spanje in februari 2024 al toestemming had gevraagd en gekregen toen hij nog niet arbeidsongeschikt was. Unsal kon dan, als zij daar aanleiding toe zag, de bedrijfsarts om advies vragen over de reis van werknemer naar Spanje, mede gelet op zijn (eventuele) re-integratieverplichtingen en zijn gezondheidssituatie. Werknemer is in dit geval naar Spanje gegaan zonder toestemming van de bedrijfsarts en Unsal. Hij stelt wel dat hij dit heeft afgesproken, maar dat dit zo is, blijkt verder nergens uit en is gemotiveerd weersproken. Uit de WhatsAppberichten van Unsal volgt juist dat zij verbaasd was toen werknemer schreef dat hij niet op de afspraak bij de bedrijfsarts kon komen omdat hij in Spanje was. Unsal had van werknemer begrepen dat hij eerst aan zijn neuroloog zou vragen of hij in staat was om naar Spanje te gaan. De uitkomst daarvan heeft hij niet meer teruggekoppeld aan Unsal. Unsal heeft dus niet de mogelijkheid gehad om voorafgaand aan de Spanjereis van werknemer de bedrijfsarts om advies te vragen. Niet gebleken is dat werknemer in de betreffende periode niet tot enige re-integratieactiviteiten in staat was. Hij was ook niet vrijgesteld van re-integratieverplichtingen. Unsal mocht het verblijf in Spanje van werknemer daarom als vakantie afboeken. De vordering tot uitbetaling van de ingehouden vakantiedagen zal daarom worden afgewezen. Unsal wordt in de proceskosten veroordeeld. Niet het hele bedrag dat werknemer vordert, is toewijsbaar, maar slechts een deel. Niettemin is het zo dat deze procedure nodig is geweest om Unsal tot de conclusie te laten komen dat zij nog een bedrag aan werknemer moet betalen.
