Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 15 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:8141
Verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is voor schade wegens bedrijfsongeval toegewezen. Vordering achterstallige vakantietoeslag toegewezen.

Feiten

Werknemer is per 1 oktober 2024 in dienst getreden bij werkgever in de functie van algemeen horecamedewerker (barman). Op 28 mei 2025 heeft werknemer een bedrijfsongeval gehad. Hij is sindsdien arbeidsongeschikt. De verzekeraar van werkgever heeft de aansprakelijkheid erkend. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is voor het bedrijfsongeval dat hem is overkomen en de materiële en immateriële schade die hij daardoor lijdt en geleden heeft, dient te dragen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Daarnaast vordert werknemer betaling van een voorschot van € 2.500. Werknemer vordert verder een verklaring voor recht dat werkgever bovenop het hem toekomende loon van € 10,50 per uur vakantiegeld dient te voldoen in de daarvoor bestemde maanden mei of juni en daarover de verschuldigde loonbelasting en sociale premies zelf afdraagt aan de Belastingdienst. Werknemer vordert ook betaling van de wettelijke verhoging, betaling van vakantiegeld en betaling van € 3.943,78 netto aan fooien.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vaststaat dat werknemer op 28 mei 2025 een bedrijfsongeval heeft gehad en in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Als aansprakelijkheid erkend is door een verzekeraar van werkgever kan werknemer de aansprakelijkheid door de rechter laten vaststellen. Ook de verwijzing naar de schadestaatprocedure wijst de kantonrechter toe. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is. Daaraan is voldaan. Werknemer heeft namelijk schade geleden en de omvang van de schade is in deze procedure niet vast te stellen. Dat betekent dat er grond is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het in deze procedure door werknemer gevorderde voorschot van € 2.500 te vermeerderen met de wettelijke rente wijst de kantonrechter toe. Voldoende aannemelijk is dat werknemer lichamelijk letsel heeft opgelopen, behandelingen heeft gehad en daardoor kosten heeft moeten maken. Bovendien gaat werknemer ook schade lijden door een inkomensdaling. Op grond van artikel 17 lid 2 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag kan een werkgever met een werknemer schriftelijk een all-in loon overeenkomen zodanig dat de werkgever maandelijks, tegelijk met de loonbetaling, de vakantiebijslag betaalt. Vast staat dat zo’n afspraak niet schriftelijk is vastgelegd. De door werkgever gestelde, en door werknemer betwiste, mondelinge afspraak is daarmee ongeldig. Dat betekent dat er in de maand juni vakantietoeslag moet worden uitbetaald en dat de eerder uitbetaalde bedragen niet als vakantietoeslag aangemerkt kunnen worden. Werkgever is aan werknemer uitbetaling van vakantietoeslag verschuldigd over de gehele duur van het dienstverband. De kantonrechter ziet ook hier aanleiding om de verzochte wettelijke verhoging te matigen tot 25% omdat niet is gebleken van kwade opzet. De kantonrechter stelt voorop dat fooi geen loon is omdat dit niet door werkgever als werkgever wordt betaald, maar door derden. Vaststaat dat partijen niets hebben afgesproken over de afdracht van fooi. Ook staat vast dat werknemer de functie van barman heeft en dat hij dus niet onder het bedienend personeel valt. Dat werknemer incidenteel, bij drukte, door werkgever is ingezet in de bediening, maakt hem, anders dan hij zelf stelt, geen onderdeel van het bedienend personeel. Werknemer was daarnaast ook nooit verantwoordelijk voor eventuele kastekorten. Werkgever wordt in de proceskosten veroordeeld.