Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 4 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5554
Feiten
Werkneemster is op 1 april 2017 bij werkgeefster in dienst getreden en is op 18 september 2025 arbeidsongeschikt geraakt, nadat zij tijdens een vergadering onwel was geworden. Met ingang van 23 april 2026 heeft werkgeefster het loon stopgezet omdat werkneemster onvoldoende zou meewerken aan haar re-integratie dan wel aan een werkhervatting. Werkneemster vindt dat niet terecht en vordert daarom in kort geding doorbetaling van haar loon. Uit de adviezen van de bedrijfsarts is niet gebleken dat de werkneenster verplicht was om haar werkzaamheden te hervatten of zelfs al aan zogenoemde "koffiemomenten" deel te nemen. Ook het UWV (deskundigenoordeel) concludeert op 16 juli 2026 nog dat werkneemster op 23 april 2026 niet geschikt was voor het uitvoeren van de bedongen arbeid en dat dit op de datum van het onderzoek nog steeds actueel is.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat de loonstop ten onrechte is opgelegd. Werkgeefster had werkneemster opgeroepen om weer op de werkvloer te verschijnen in het kader van re-integratie. Volgens de kantonrechter mocht werkneemster deze oproep begrijpen als een verzoek tot daadwerkelijke werkhervatting. De adviezen van de bedrijfsarts ondersteunden niet dat werkneemster verplicht was om al te starten met koffiemomenten of andere re-integratieactiviteiten. De kantonrechter betrekt ook het deskundigenoordeel van het UWV in zijn beslissing en komt tot de conclusie dat een rechtsgeldige grond voor het opleggen van een loonstop ontbreekt. Werkgeefster wordt veroordeeld tot nabetaling van het ingehouden loon, doorbetaling van het maandloon, wettelijke verhoging van 50%, betaling achterstallige vakantietoeslag en onkostenvergoeding.
