Naar boven ↑

Rechtspraak

bedrijf X/ Provincie Noord-Holland
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 22 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:9766
Regresvordering: wel opstalaansprakelijkheid, maar geen sprake geweest van onrechtmatige gevaarzetting.

Feiten

Bedrijf X is een bedrijf dat zich richt op het repareren van kranen en zware machines. In de context van deze zaak is de Provincie het bevoegd gezag dat openbare wegen beheert in de provincie Noord-Holland. Op 1 mei 2022 is A bij Bedrijf X in dienst getreden als constructiebankwerker op de lasafdeling. Op 9 juni 2023 rond 18:30 uur is A ten val gekomen op een (brom)fietspad. Op de plek van het ongeval is sprake geweest van lekkage. Op 7 februari 2023 is de ontstane schade aan het fietspad in opdracht van de Provincie door aannemer DuraVermeer tijdelijk hersteld door het aanbrengen van klinkers. Ten tijde van het ongeval waren de klinkers door de uitzetting van het omringende asfalt vanwege de hoge temperaturen die dag verschoven en omhooggekomen. De Provincie heeft een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Melior verzekeringen. Bedrijf X is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid van haar werknemers. Op 7 november 2023 heeft Melior verzekeringen namens de Provincie ten opzichte van A haar aansprakelijkheid erkend vanwege de gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW. Bedrijf X vordert veroordeelt van de Provincie tot betaling van doorbetaald nettoloon, werknemersdeel pensioenpremie en re-integratiekosten.

Oordeel

Ter onderbouwing daarvan beroept Bedrijf X zich primair op de erkenning van aansprakelijkheid van de Provincie tegenover A voor de door hem geleden schade op grond van artikel 6:174 BW. Maar zoals de Provincie terecht aanvoert, kan Bedrijf X zich in haar relatie tot de Provincie niet baseren op risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW ter onderbouwing van de voor haar verhaalsrecht vereiste vaststelling van aansprakelijkheid. Dit is namelijk uitgesloten in artikel 6:197 lid 1 BW. De rechtbank zal de vorderingen daarom uitsluitend beoordelen op de door Bedrijf X subsidiair aangedragen grondslag (art. 6:162 BW). De rechtbank beoordeelt de vordering aan de hand van de Kelderluik-criteria en komt tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van onrechtmatige gevaarzetting. De Provincie hoefde niet bedacht te zijn op het moeten waarschuwen van weggebruikers voor de aanwezigheid van de klinkers, met name omdat de kans op het ontstaan van gebreken hierdoor in het algemeen niet groot is. Ondanks de in het algemeen kleine kans op ongevallen door het gebruik van klinkers, kunnen de gevolgen van een ongeval vanwege omhoogstaande klinkers ernstig zijn. Het plaatsen van klinkers als tijdelijke maatregel is zeer gebruikelijk. De Provincie heeft dus niet verwijtbaar gehandeld door het fietspad niet al voor de zomer van 2023 definitief te laten herstellen. Andere kleinere (veiligheids)maatregelen zoals het plaatsen van een waarschuwingsbord waren op zichzelf niet bezwaarlijk, maar deze lagen vanwege de goede zichtbaarheid en het algemene lage risico op verschuiving van de klinkers niet voor de hand. Gelet op het feit dat er zodanig kort voor het ongeval nog geschouwd is, was het gebrek aan het fietspad voor de Provincie niet kenbaar terwijl zij ruimschoots aan haar zorgplicht heeft voldaan door regelmatig de staat van het fietspad te beoordelen. In dat kader valt de Provincie geen verwijt te maken. Zoals hiervoor overwogen heeft Bedrijf X daarnaast onvoldoende gesteld voor de conclusie dat de Provincie in het algemeen op de hoogte had moeten zijn van gevaarzettende eigenschappen van klinkers.