Rechtspraak
Feiten
Speer Reclame en Communicatie B.V. (hierna: Speer) houdt zich volgens het Handelsregister bezig met het verlenen van diensten op het gebied van reclame en communicatie, ontwerp en uitvoering van signing projecten, beletteren en folieverwerking. In september 2020 heeft Bpf Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (hierna: Bpf Mitt) aan Speer medegedeeld dat zij met ingang van 2015 onder de werkingssfeer van het Bpf Mitt valt. Speer houdt zich bezig met het verwerken van polyesterfolie. Speer vervaardigt diverse folieproducten. Daarnaast bedrukt Speer zelf textiel, zoals kledingstukken. De werkzaamheden waarbij Speer zelf textiel bedrukt of laat bedrukken zijn activiteiten die onder de definitie van het verplichtstellingsbesluit van het Bpf Mitt vallen. Volgens Speer gaat dit om een zeer beperkt deel van de omzet, inmiddels nog maar 0,5%. Speer vindt dat het verplichtstellingsbesluit zo moet worden uitgelegd dat er een ondergrens is en dat zij daarom niet onder de reikwijdte van het besluit valt. Daarnaast stelt Speer dat haar een beroep toekomt op de uitzonderingsbepalingen van het verplichtstellingsbesluit. De kantonrechter heeft de vorderingen van Speer afgewezen en die van Bpf Mitt nagenoeg volledig toegewezen. Het oordeel van de kantonrechter komt er in de kern op neer dat Speer onder het verplichtstellingsbesluit valt, omdat vaststaat dat Speer voor een klein deel textiel zelf bewerkt en het verplichtstellingsbesluit geen ondergrens kent. Het hoger beroep van Speer strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van de vorderingen van Speer.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Het verplichtstellingsbesluit bevat een uitzondering voor ondernemingen die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen waarin textiel is verwerkt, maar waarbij dat textiel niet een overwegend bestanddeel van het eindproduct uitmaakt, zoals een schoenfabriek. Daarvan is bij Speer geen sprake. Als het folie al als eindproduct kan worden gekwalificeerd, zoals Speer stelt, dan bevat dat eindproduct geen textiel. Dat Speer - ondanks het feit dat haar mogelijke eindproducten geen textiel bevatten - toch onder de reikwijdte van het Verplichtstellingsbesluit valt, terwijl een onderneming die een eindproduct maakt met weinig textiel er niet onder valt, is geen onaannemelijk rechtsgevolg. Dat betekent enkel dat Speer niet onder deze uitzondering valt. Aan Speer kan worden toegegeven dat in een andere uitzondering in het verplichtstellingsbesluit niet met zoveel woorden is vermeld dat met ‘folieverwerker’ een folieverwerker in de zin van de Cao voor de Zeilmakerijen, dekkledenvervaardiging, dekkledenverhuur, scheepstuigerijen en scheepsbenodigdhedenhandel (hierna: cao) wordt bedoeld, zoals Bpf Mitt stelt. Er staat namelijk enkel ‘folieverwerker’ zonder dat verwezen wordt naar de cao, terwijl er wél expliciet wordt verwezen naar een andere cao in een andere uitzonderingsbepaling. Het enkele feit dat in deze tekst niet wordt vermeld dat de folieverwerker in de zin van een bepaalde cao bedoeld wordt en dat om die reden dit onduidelijk voor Speer is of kan zijn, betekent echter nog niet zonder meer dat deze uitzondering ten gunste van Speer moet worden uitgelegd. De uitleg die Speer voorstaat, komt erop neer dat een onderneming zoals Speer, die 60% van de totale omzet uit de verwerking van folie genereert, ondanks het feit dat zij - zij het in geringe mate - textiel bewerkt, niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt terwijl een onderneming die een andere hoofdactiviteit verricht die niets met textiel te maken heeft en daarmee 60% van de omzet genereert, wel daaronder zou vallen als deze onderneming daarnaast in dezelfde mate textiel als Speer bewerkt. Zonder dat duidelijk is waarin folieverwerkers zich op dit punt onderscheiden van die andere ondernemingen en dus zonder duidelijke rechtvaardiging voor een dergelijke uitzonderingspositie voor folieverwerkers, acht het hof dit een onaannemelijk rechtsgevolg. Verder weegt voor het hof zwaar dat de uitzondering is geformuleerd exact overeenkomstig de cao. Daarmee resteert het principiële punt over de ondergrens. Er loopt al een procedure in cassatie met betrekking tot de vraag of Speer, hoewel zij Mitt-activiteiten verricht, toch niet onder de werkingssfeer valt. In dat kader wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
