Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 21 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5055
Feiten
Eisers hebben in het verleden bij werkgever gewerkt. Ze zijn inmiddels met pensioen. De activiteiten van werkgever vallen onder de werkingssfeeromschrijving van de verplichtstellingsbeschikking van Bpf Bouw. Vanaf 1 juli 1982 tot 1 januari 2007 was werkgever gedispenseerd van deelname aan de pensioenregeling van Bpf Bouw. De werknemers van werkgever, onder wie ook eisers, hebben gedurende die periode pensioen opgebouwd in een pensioenregeling van werkgever bij Nationale Nederlanden (NN). Vanaf 1 januari 2007 is de dispensatie geëindigd en bouwden de werknemers van werkgever pensioen op bij Bpf Bouw. De bij NN opgebouwde pensioenaanspraken zijn achtergebleven bij NN. De indexering van deze pensioenaanspraken heeft werkgever vanaf 1 januari 2007 ondergebracht bij Bpf Bouw door middel van een uitvoeringsovereenkomst met de naam “CBSI-overeenkomst”. Werkgever heeft de CBSI-overeenkomst met Bpf Bouw opgezegd per 1 januari 2022. Werkgever heeft de pensioengerechtigden dit meegedeeld per brief van 12 september 2022 en daarin meegedeeld dat er vanaf 1 januari 2022 geen verhoging van de pensioenuitkeringen meer zal plaatsvinden. Daarmee heeft werkgever de indexeringsregeling die onderdeel uitmaakt van de pensioenregeling beëindigd. FNV heeft namens eisers bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de indexatieregeling door werkgever. Eisers zijn een procedure tegen werkgever gestart bij de kantonrechter. Bij vonnis van 24 april 2024 heeft de kantonrechter werkgever op straffe van een dwangsom veroordeeld tot nakoming van deze indexeringsregeling. De kantonrechter heeft het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat niet kon worden uitgesloten dat werkgever na het vonnis in eerste aanleg een voorstel tot gedeeltelijke wijziging van de indexeringsregeling zou doen dat door het gerechtshof redelijk zou worden gevonden. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is opnieuw geoordeeld over de beëindiging van de indexeringsregeling. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 februari 2026 geoordeeld dat werkgever niet gerechtigd was om de indexatieregeling jegens eisers eenzijdig te beëindigen. In dat kader is een verklaring voor recht afgegeven dat werkgever de bij NN opgebouwde pensioenaanspraken van eisers moet indexeren volgens de indexaties die Bpf Bouw aan haar gepensioneerden en slapers heeft toegekend. De veroordeling is overeenkomstig de gewijzigde eis beperkt tot de periode tot 1 januari 2026 omdat Bpf Bouw per die datum is overgegaan op een nieuwe pensioenregeling die voldoet aan de WTP. Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld en de termijn hiervoor is ook verstreken. De veroordeling heeft daarom inmiddels kracht en gezag van gewijsde.
Oordeel
Uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgt dat werkgever is veroordeeld om bij Bpf Bouw, NN dan wel een andere pensioenuitvoerder een opgave op te vragen van de koopsommen die verschuldigd zijn om de door Bpf Bouw toegekende indexaties voor eisers in te kopen en deze koopsommen binnen één maand na ontvangst van die opgave te voldoen. Bij het verzoeken om opgaves van te betalen koopsommen, was het een voorwaarde (zo blijkt uit het dictum) dat werkgever afschriften van deze verzoeken zou verstrekken aan eisers. Het is niet gebleken dat werkgever aan deze voorwaarde heeft voldaan. Eisers hebben niet eerder dan bij conclusie van antwoord kennisgenomen van deze aanvragen. Op dit punt is dus niet voldaan aan de veroordeling bij arrest. Verder is het zo dat uit de opgave van NN niet blijkt dat het onmogelijk is om de (af)financiering van de indexatie daar onder te brengen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat werkgever wel aan de veroordeling, zoals uitgesproken door het gerechtshof, had kunnen voldoen, maar dit tot op heden niet heeft gedaan. Aannemelijk is dat werkgever bij NN een verzoek kan doen voor opgave van de koopsommen die nodig zijn om aan alle pensioengerechtigden per 1 januari 2022 een indexatie van 1,76%, per 1 juli 2022 een indexatie van 0,79%, per 1 januari 2023 een indexatie van 14,52% en per 1 januari 2025 een indexatie van 0,75% toe te kennen op hun bij Nationale Nederlanden ondergebrachte pensioenaanspraken. Werkgever dient aan NN (of een andere pensioenuitvoerder) te verzoeken deze opgave op de kortst mogelijke termijn te verstrekken en om deze opgave gelijktijdig aan eisers en de advocaat toe te zenden. Volgens werkgever heeft het gerechtshof er bewust voor gekozen geen dwangsommen aan de veroordeling te verbinden, nu zij geen aanleiding had om aan te nemen dat werkgever niet zou nakomen. Deze omstandigheden zijn niet gewijzigd, waardoor er nog steeds geen reden is voor het opleggen van een dwangsom. De voorzieningenrechter volgt werkgever hierin niet. De omstandigheden zijn wel degelijk gewijzigd, nu is gebleken dat werkgever niet aan de veroordeling door het gerechtshof heeft voldaan. Werkgever heeft enkel alternatieven voorgesteld aan eisers. Aan de veroordeling in dit vonnis zullen daarom de door eisers gevorderde dwangsommen worden verbonden.
