Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 21 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2897
Feiten
Werknemer is op 21 augustus 2023 in dienst getreden van werkgeefster. De vriendin van werknemer was ook werkzaam bij werkgeefster. Op 11 juni 2024 is alleen werknemer (zijn vriendin niet) op het werk verschenen en heeft hij aan werkgeefster laten weten dat hij en zijn vriendin ontslag nemen en terugkeren naar Polen. Werkgeefster heeft daarop aan werknemer laten weten dat hij geen recht zou hebben op een WW-uitkering. Werkgeefster heeft toen voorgesteld aan werknemer om een vaststellingsovereenkomst te sluiten om zijn WW-rechten veilig te stellen. Op diezelfde dag heeft werknemer afscheid genomen van de aanwezige collega’s en hun verteld dat hij en zijn vriendin niet meer komen werken en terugkeren naar Polen. Ook heeft werknemer later die dag een bericht geplaatst in de whatsappgroep, waarin hij (tezamen met zijn vriendin) afscheid neemt van zijn team en de whatsappgroep vervolgens (tezamen met zijn vriendin) verlaat. Op diezelfde dag heeft werkgeefster aan werknemer per e-mail een bericht gestuurd: ‘As discussed this morning during our meeting, I am sending you the settlement agreement attached to this email (…).’ Op 12 juni 2024 heeft werknemer per WhatsApp gereageerd dat hij dit aanbod niet kan accepteren. Vervolgens heeft hij zich ziek gemeld. Op 14 juni 2024 heeft werkgeefster aan werknemer bevestigd dat hij op 11 juni 2024 zijn arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. De gemachtigde van werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat de door werknemer gedane opzegging niet kan worden aangemerkt als een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die gericht is op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft bij de voorzieningenrechter in kort geding als voorlopige voorziening achterstallig loon gevorderd over de maanden juni en juli 2024. In het vonnis van 29 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter de vordering van werknemer afgewezen (zie AR 2024-1556). Werknemer is vervolgens in hoger beroep gegaan. In de tussenbeschikking van 15 april 2025 heeft het hof werknemer bevolen om een deskundigenverklaring in het geding te brengen, omdat werknemer zijn loonvordering baseert op artikel 7:629a BW en deze alleen toewijsbaar is als bij de eis een verklaring is gevoegd van een door het UWV benoemde deskundige (zie AR 2025-0900).
Oordeel
Het hof oordeelt in deze eindbeschikking als volgt.
Geen spoedeisend belang
Tussen partijen is bij het hof ook een bodemprocedure aanhangig. In deze bodemprocedure heeft werknemer dezelfde loonvordering ingesteld. Aangezien het hof daarin op 16 oktober 2025 uitspraak heeft gedaan, stelt het hof vast dat werknemer bij zijn vorderingen in kort geding geen spoedeisend belang meer heeft.
Geen deskundigenverklaring ingebracht
Daarnaast heeft werknemer niet de door het hof bevolen deskundigenverklaring overgelegd. Dit deskundigenbericht was nodig om te beoordelen hoe de geestelijke gesteldheid van werknemer van invloed is geweest op zijn opzegging. Het lag na het tussenarrest van het hof wel op de weg van werknemer om, na het gemotiveerde verweer van werkgeefster inhoudende dat door de duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van werknemer de arbeidsovereenkomst op 11 juni 2024 is geëindigd, zijn stellingen met een deskundigenverklaring te onderbouwen. Dat heeft hij ondanks het bevel daartoe van het hof niet gedaan. Het verweer van werkgeefster slaagt daarom. Ook om die reden zijn de vorderingen van werknemer niet toewijsbaar. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigt.
