Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 27 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4877
Feiten
Werkgeefster biedt in de Gelderse Vallei verpleeghuiszorg, wijkverpleging, thuiszorg, dagbesteding revalidatie, behandeling en maatschappelijk werk. Werkneemster was sinds 8 juli 2019 in dienst, laatstelijk in de functie van zorgassistente voor 20 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst was de Cao voor de Verpleeg- en Verzorgingshuizen en de Thuiszorg van toepassing. Het laatstverdiende salaris van werkneemster bedroeg € 1.5891,80 bruto per maand, 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering. Op 14 juli 2025 is zij op staande voet ontslagen, waarbij in de ontslagbrief onder meer is opgenomen dat zij zich niet aan afspraken over extra uren heeft gehouden en heeft gelogen over geregelde en ongeoorloofde nachtelijke aanwezigheid tijdens de diensten van haar vriend, die op dezelfde afdeling werkzaam was. Haar bewindvoerder – als formele procespartij – heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht verzocht dat het gegeven ontslag op staande voet onterecht c.q. niet rechtsgeldig is gegeven en de kantonrechter verzocht werkgeefster te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding, transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De kantonrechter heeft deze verzoeken afgewezen (zie AR 2026-0038). De bewindvoerder van werkneemster is daarom in hoger beroep gegaan. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen verzoeken alsnog worden toegewezen.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Voor het antwoord op de vraag welke dringende reden werkgeefster aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd moet het hof kijken naar de brief van 14 juli 2025. Daaruit blijkt dat de dringende reden voor werkgeefster wordt gevormd door twee aspecten: het veelvuldig naar het werk komen buiten de eigen diensten om (vooral tijdens diensten van haar vriend, over een periode van vier maanden, wetende dat dat niet mocht), en het liegen daarover. Werkgeefster heeft er volgens het hof terecht op gewezen dat het vanzelf spreekt dat het bezoeken van haar vriend niet geoorloofd was. De locaties van werkgeefster (verpleeghuizen) zijn namelijk niet alleen werkplekken voor de werknemers, maar in de eerste plaats zijn het de woningen en leefruimtes van de bewoners. Dat betekent al dat werknemers daar in beginsel alleen aanwezig horen te zijn als ze aan het werk zijn, uit respect voor de persoonlijke levenssfeer van de bewoners. Ook is het vanzelfsprekend dat werknemers die in de zorg aan het werk zijn altijd alert moeten zijn op de signalen en behoeften van de bewoners (ook in de nacht), en dat het ontvangen van bezoek (ook als dat een collega is) een onwenselijke afleiding kan vormen (wat ook zo is gebleken). Dat werkneemster in een periode van vier maanden meer dan 30 keer is langsgekomen bij haar vriend terwijl hij nachtdiensten draaide, staat haaks op haar verantwoordelijkheden als zorgassistente en is haar ernstig aan te rekenen. Het is werkneemster ook zwaar aan te rekenen dat het niet mogelijk was om met haar een open en eerlijk gesprek te voeren over wat er was gebeurd en over de banden die zij met haar vriend onderhield. Het hof laat in het midden of werkneemster bewust niet eerlijk is geweest in haar gesprekken met werkgeefster op 10 en 14 juli 2025 dan wel dat zij onvoldoende in staat was tijdig, adequaat en naar waarheid te reageren. De reden hiervoor is dat werkneemster ook tijdens de mondelinge behandeling geen duidelijke verklaring heeft kunnen geven over wat er is gebeurd en besproken. Op grond van dit alles oordeelt het hof daarom dat er sprake is van een voldoende dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. Dit ontslag is volgens het hof ook onverwijld gegeven. Dit betekent dat de verzochte verklaring voor recht niet wordt afgegeven en het verzoek van werkneemster tot het toekennen van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding wordt afgewezen. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt.
