Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 9 juni 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2454
Feiten
Op 2 augustus 2021 is werknemer bij Glashandel Van Es in dienst getreden in de functie van leerling-glaszetter. Op 17 september 2021 heeft werknemer ter uitoefening van zijn werk samen met twee collega’s werkzaamheden verricht in een pand te Delft. Op 20 september 2021 heeft werknemer zich door middel van een Whatsapp-bericht ziekgemeld bij Glashandel Van Es. Bij e-mail van 18 augustus 2022 heeft werknemer aan Glashandel Van Es een aansprakelijkstelling verstuurd, waarbij zij werd verzocht om haar aansprakelijkheid voor de door werknemer geleden (letsel)schade te erkennen. In oktober 2024 is werknemer nog steeds in dienst bij Glashandel Van Es en bevindt hij zich in het tweedespoortraject van zijn re-integratie. Per 15 maart 2025 is werknemer weer volledig aan het werk als glaszetter bij Glashandel Van Es. Het salaris van werknemer is tijdens zijn gehele ziekteperiode volledig doorbetaald. Werknemer heeft een verklaring voor recht gevorderd dat Glashandel Van Es aansprakelijk is. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Werknemer is tegen het vonnis in hoger beroep gekomen.
Oordeel
Werknemer vordert dat voor recht wordt verklaard dat Glashandel Van Es aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden in de uitoefening van zijn werk als glaszetter en dat deze schade nader bij staat moet worden opgemaakt. Vast staat dat werknemer ter zake van zijn werk als glaszetter bij Glashandel Van Es geen inkomensschade heeft geleden. Of werknemer andere schade heeft geleden, heeft hij niet gesteld dan wel onderbouwd. Bij de mondelinge behandeling heeft de advocaat aangegeven dat werknemer inkomsten heeft misgelopen, omdat hij ook als zzp’er werkzaamheden verrichtte, maar enige raming hiervan kon hij niet geven. Voor het overige is alleen verwezen naar de dagvaarding. Het hof is van oordeel dat werknemer hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij enige schade heeft geleden. Op dit punt had (inmiddels) meer van werknemer verwacht mogen worden. Het hof is verder van oordeel dat het door werknemer gestelde verband tussen het tillen van de glasplaten en zijn rugklachten te onzeker is. Uit het enige door hem overgelegde (medische) stuk van de radioloog die werknemer op 15 februari 2022 heeft onderzocht, blijkt weliswaar dat werknemer rugklachten (discushernia) heeft, maar niet dat dit mogelijk is veroorzaakt door het tillen van de (te zware) glasplaten tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden een half jaar eerder. Dat meer dan dat nodig is, geldt vooral nu rugklachten (hernia) ook heel goed verschillende en/of meerdere oorzaken kunnen hebben, ook als er sprake is van een blanco medische voorgeschiedenis. Een behoorlijke mate van waarschijnlijkheid dat de rugklachten van werknemer zijn veroorzaakt door het tillen van de glasplaten kan dan ook niet worden vastgesteld. Dit alles betekent dat werknemer onvoldoende heeft gesteld om aansprakelijkheid van Glashandel Van Es aan te kunnen nemen en er daarom geen verwijzing naar de schadestaatprocedure kan volgen. Dit betekent ook dat de vorderingen door de kantonrechter terecht zijn afgewezen en de grieven van werknemer falen.
