Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 1 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4206
Feiten
Finex is een accountantskantoor dat bedrijven ondersteunt met accountancy en financieel en fiscaal advies. De aandelen van Finex waren in handen van drie besloten vennootschappen, waaronder onderneming A, de besloten vennootschap van werknemer. De drie aandeelhouders hebben daarvoor op 16 september 2016 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Daarnaast is onderneming A een managementovereenkomst aangegaan met Finex. Op 2 januari 2020 hebben werknemer en Finex vervolgens schriftelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Op 1 juli 2025 hebben de aandeelhouders van Finex een vaststellingsovereenkomst gesloten over het uittreden van onderneming A per 1 juli 2025. In deze vaststellingsovereenkomst hebben de aandeelhouders, voor zover hier relevant, opgenomen dat onderneming A haar aandelen overdraagt aan de andere aandeelhouders en finale kwijting verleent ten aanzien van alle rechten en verplichtingen uit hoofde van het aandeelhouderschap, de aandeelhoudersovereenkomst, de managementovereenkomst en de overige onderlinge afspraken die hun oorsprong vinden vóór 1 juli 2025. Werknemer vordert in deze procedure doorbetaling van loon vanaf 1 januari 2026 op grond van een arbeidsovereenkomst vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
Oordeel
In deze procedure moet worden beoordeeld of voldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat werknemer na 1 januari 2026 recht heeft op (door)betaling van loon. Tussen partijen is allereerst in geschil of naast de aandeelhoudersovereenkomst en de managementovereenkomst ook een zelfstandige arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kantonrechter kan in deze procedure in het midden laten of de arbeidsovereenkomst na het eindigen van de managementovereenkomst kan blijven doorlopen. Finex stelt zich namelijk op het standpunt dat aan een eventuele arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 een einde is gekomen, hetzij door opzegging, hetzij met wederzijds goedvinden door middel van de vaststellingsovereenkomst met finale kwijting. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat de bodemrechter dit standpunt volgt. Dat brengt mee dat het onvoldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat werknemer na 1 januari 2026 recht heeft op (door)betaling van loon. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter volgt uit de e-mails duidelijk dat volgens Finex de werkzaamheden tussen “jou en ons” eindigen per 31 december 2025 en Finex niet wenst dat werknemer op enige manier nog werkzaamheden voor haar verricht. Zij mailt immers dat de toegang tot de systemen per 1 januari 2026 wordt beëindigd en dat werknemer dossiers die hij nog in zijn bezit heeft, moet overdragen. Dat past niet bij een opzegging van alleen de managementovereenkomst, zoals werknemer stelt, maar wijst op een beëindiging van de samenwerking op ieder vlak. Zonder toegang tot de systemen kan werknemer immers geen werkzaamheden voor Finex verrichten. Deze opzegging voldoet echter niet aan de wettelijke vereisten als sprake is van een zelfstandige arbeidsovereenkomst. Dat is tussen partijen niet in geschil, maar Finex voert terecht aan dat werknemer dan binnen de wettelijke vervaltermijn van twee maanden een verzoek bij de kantonrechter had moeten indienen om de opzegging te vernietigen. Het staat vast dat deze termijn inmiddels is verlopen en werknemer dit niet heeft gedaan. Dit leidt de kantonrechter tot het oordeel dat niet onaannemelijk is dat een bodemrechter oordeelt dat de gestelde arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 door opzegging is geëindigd. De overeenkomst van 2 januari 2020 valt naar de letter onder ‘overige onderlinge afspraken’ en daarmee onder de finale kwijting. Finex kan zich dus in beginsel ook op deze bepaling beroepen. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter had het op de weg van werknemer gelegen om tijdens de onderhandelingen expliciet te maken dat hij zijn werkzaamheden na 1 januari 2026 zou voortzetten, hetzij op grond van een verlenging van de managementovereenkomst, hetzij op grond van de overeenkomst van 2 januari 2020. Finex heeft na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst over het uittreden van onderneming A ook een aparte vaststellingsovereenkomst aangeboden voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, wat erop zou kunnen wijzen dat Finex zich (ook) op het standpunt stelde dat deze niet was geëindigd met de finale kwijting. Finex stelt echter dat zij deze separate vaststellingsovereenkomst heeft opgesteld, omdat werknemer daarom had verzocht zodat hij een WW-uitkering aan kon vragen bij het UWV. Werknemer heeft dit tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Onder deze omstandigheden is naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter het feit dat Finex een aparte vaststellingsovereenkomst voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst heeft opgesteld geen aanwijzing dat partijen deze overeenkomst buiten de finale kwijting hebben willen houden. Op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het onvoldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat werknemer na 1 januari 2026 recht heeft op (door)betaling van loon. De vordering van werknemer tot doorbetaling van zijn loon, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente kan daarom in dit kort geding niet worden toegewezen.
