Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 23 september 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2569
Feiten
Werknemer is op 1 juni 2021 op basis van een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar in dienst getreden als allround medewerker bij Zeeuws Budget Garage B.V. (hierna: ZBG). Zijn uurloon bedroeg € 10,80 bruto per uur exclusief 8% vakantiebijslag. Op de oproepovereenkomst is de cao voor het Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf (hierna: de cao) van toepassing. In die cao was opgenomen dat nevenwerkzaamheden zijn toegestaan, mits deze vooraf worden gemeld bij de werkgever en deze niet door de werkgever worden geweigerd wegens objectieve redenen. Na 31 mei 2022 is werknemer bij ZBG in dienst gebleven. Op 13 juni 2023 is ZBG failliet verklaard. De eigenaar van ZBG was op dat moment tevens eigenaar van Car Store Nieuwvliet B.V. (hierna: Car Store), welk bedrijf op hetzelfde adres als ZBG was gevestigd. Vanaf augustus 2022 ontving werknemer zijn salarisstroken van Car Store. Car Store heeft werknemer een voorstel gedaan voor een nieuwe arbeidsovereenkomst. Op 10, 13 en 16 oktober 2022 heeft Car Store aan werknemer medegedeeld dat de arbeidstijden wijzigen. Werknemer heeft in dat kader op 14 oktober 2022 een verklaring ondertekend waarin staat dat hij bevestigt bepaalde documenten te hebben ontvangen waaronder een “copie onaangepast werk overeenkomst” en “een schrijven aan mij persoonlijk”. Dat schrijven zag op een brief d.d. 11 oktober 2022 waarin werknemer is medegedeeld dat Car Store van hem eist dat hij zijn nevenwerkzaamheden bij een ander bedrijf en zijn nevenactiviteit waarbij hij een loods huurt om aan auto’s te werken per direct stopt. Op 17 oktober 2022 heeft Car Store Recherchebureau Zeeland opdracht gegeven een onderzoek naar werknemer in te stellen. Op 18 oktober 2022 heeft Car Store met verwijzing naar de brief van 11 oktober 2022 werknemer een waarschuwing gegeven voor werkweigering. Als reactie hierop heeft (de gemachtigde van) werknemer Car Store laten weten dat werknemer niet is gebonden aan enig verbod tot het verrichten van nevenwerkzaamheden, dat Car Store zijn werktijden niet eenzijdig kon wijzigen, dat te weinig loon is betaald en dat werknemer zich wegens spanningsklachten ziekmeldt. Naar aanleiding van die ziekmelding heeft de bedrijfsarts werknemer situationeel arbeidsongeschikt geacht. Car Store heeft op 4 november 2022 een deskundigenoordeel gevraagd bij het UWV. Het UWV heeft het oordeel van de bedrijfsarts bevestigd. Werknemer heeft in eerste aanleg de kantonrechter gevraagd Car Store te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.709,88 bruto aan achterstallig salaris over de periode 1 juni 2022 tot 1 oktober 2023, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. In reconventie heeft Car Store gevorderd werknemer te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 166.000 aan boetes, of een ander door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag. Subsidiair heeft Car Store gevorderd voor recht te verklaren dat werknemer zich niet heeft gehouden aan de normen van artikel 7:611 BW en artikel 6:162 BW en aansprakelijk is voor de door Car Store geleden schade. De kantonrechter heeft onder meer op grond van artikel 7:628 BW over de periode oktober 2022 tot en met mei 2023 achterstallig loon toegekend (zie AR 2024-0389). Car Store is tegen deze veroordeling in hoger beroep gekomen. In hoger beroep gaat het enkel nog om deze veroordeling. Car Store stelt dat werknemer door geen gehoor te geven aan haar eis om de door hem verrichte nevenwerkzaamheden per direct te staken niet alle medewerking heeft verleend om de situatieve arbeidsongeschiktheid weg te nemen (conform MAK/SGBO).
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat werknemer zich bij brief van zijn advocaat van 19 oktober 2022 ziek heeft gemeld. Hij stelt arbeidsongeschikt te zijn als gevolg van de arbeidsomstandigheden bij Car Store. In de kern heeft Car Store hier niets anders tegen ingebracht dan dat zij volgens haar gelijk heeft in de discussie over de vraag of er sprake was van ontoelaatbare nevenwerkzaamheden van werknemer en dat werknemer zich in dat standpunt had moeten schikken. Daarmee gaat Car Store ten onrechte voorbij aan het feit dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie die mede is ingegeven door de handelwijze van Car Store. Van Car Store had als goed werkgeefster mogen worden verwacht dat zij zich had ingespannen om een conflict met werknemer te voorkomen. Van daadwerkelijke op een oplossing voor de gerezen discussie gerichte inspanningen van Car Store is niet gebleken en Car Store heeft geen pogingen ondernomen om constructief met werknemer in gesprek te komen over de kwestie van de nevenwerkzaamheden. Zoals ook de kantonrechter terecht heeft overwogen (tegen welke overweging Car Store geen althans geen onderbouwde grief heeft gericht), heeft Car Store zich ook nadat werknemer was uitgevallen en de bedrijfsarts had geadviseerd om er in onderling overleg uit te komen niet daadwerkelijk ingespannen om het conflict op de een of andere manier (bijvoorbeeld door mediation) op te lossen en daarmee de oorzaken van de situatieve arbeidsongeschiktheid van werknemer weg te nemen. Bij gebreke van dergelijke oplossingsgerichte initiatieven van Car Store kan werknemer niet worden verweten, zoals Car Store doet, dat hij onvoldoende daaraan heeft willen meewerken. De conclusie is dat het hoger beroep van Car Store faalt en het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigt.
