Naar boven ↑

Rechtspraak

Multi Cars Den Haag B.V./werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 28 april 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2452
Geen bewijs van handtekening op ontslagbrief na deskundigenbericht. De vergoedingen worden opnieuw berekend na uitlating van partijen over de omvang van het salaris van werknemer.

Feiten

Werknemer is op 10 september 2018 bij Multi Cars Den Haag B.V. (hierna: Multi Cars) in dienst getreden. Per brief d.d. 1 november 2021 heeft werknemer aangegeven dat hij officieel zijn arbeidsovereenkomst wil beëindigen. Op 8 april stuurt werknemer een brief aan Multi Cars dat hij sinds december 2021 geen loon meer heeft ontvangen, terwijl hij wel heeft gewerkt. Op 31 maart zou verder telefonisch aan werknemer te kennen zijn gegeven dat hij per direct weg moet. Werknemer heeft betaling van diverse vergoedingen en achterstallig loon verzocht. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werknemer zijn stelling dat hij op 31 maart 2022 nog bij Multi Cars in dienst was en die dag op staande voet is ontslagen in het licht van het gevoerde verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Werknemer heeft geen schriftelijke arbeidsovereenkomst of loonstroken overgelegd. Vast staat dat er na 1 december 2021 geen loon meer is betaald. Het is niet gebleken dat werknemer in de periode van 1 december 2021 tot 8 april 2022 om betaling van loon heeft gevraagd, hetgeen een aanknopingspunt is voor de juistheid van de stelling van Multi Cars dat hij op 1 december 2021 ontslag had genomen. Multi Cars heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen gemotiveerd betwist. De vraag naar de betrouwbaarheid ervan kan naar het oordeel van de kantonrechter echter in het midden blijven omdat uit de verklaringen niet volgt dat werknemer na 1 december 2021 werkzaamheden voor Multi Cars heeft verricht. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat werknemer op 31 maart 2022 op staande voet is ontslagen. Dit heeft tot gevolg dat de vorderingen van werknemer tot veroordeling van Multi Cars tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging door de kantonrechter zijn afgewezen. Eveneens werd de vordering tot achterstallig loon afgewezen, nu niet is vast komen te staan dat werknemer na 1 december 2021 werkzaamheden heeft verricht. Werknemer heeft verder gesteld dat hij nooit vakantietoeslag heeft ontvangen. Dat bedrag is als niet weersproken wel toegewezen (zie AR 2023-0507).

In hoger beroep is Multi Cars, via een deskundigenbericht, in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de handtekening op de ontslagbrief van 1 november 2021 van werknemer is. Dit bewijs is niet geleverd. Om die reden heeft het hof in een tussenbeschikking aangenomen dat werknemer niet zelf ontslag genomen heeft, de arbeidsovereenkomst tot en met 31 maart 2022 is doorgelopen en werknemer recht op loon heeft over die periode. Ook heeft werknemer recht op een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag (zie AR 2025-1643). Partijen zijn vervolgens bij tussenbeschikking van 16 september 2025 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de omvang van het salaris van werknemer.

Oordeel

Het hof oordeelt in deze eindbeschikking als volgt.

Nabetalingen

Werknemer maakt allereerst aanspraak op een bedrag van € 8.067,85 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 december 2021 tot en met 31 maart 2022. Dit bedrag wordt toegewezen, omdat Multi Cars de berekening van dit bedrag en de daarbij door werknemer gehanteerde uitgangspunten niet heeft betwist. Daarnaast vordert werknemer een bedrag van € 921,20 bruto aan (achterstallige) loon wegens ziekte over de maand november 2021. Ook dit bedrag wordt toegewezen. Multi Cars heeft nog wel aangevoerd dat zij wel heeft betwist dat werknemer ziek was, maar dat kan niet volgen uit de betwisting dat er geen recht op loon bestaat omdat werknemer maar onregelmatig en beperkt werkzaamheden verrichtte. De vakantietoeslag heeft werknemer berekend op € 7.425,53 bruto. De verschuldigdheid en de berekening hiervan is door Multi Cars niet (meer) betwist, zodat ook dit bedrag verschuldigd is. Verder heeft werknemer een bedrag van € 4.209,72 bruto gevorderd in verband met een te laag gehanteerd uurloon. Ook dit bedrag wordt toegewezen, omdat ook deze berekening, afgezien van een betwisting dat tussen partijen een dienstverband van 35 uur per week tegen een cao-loon bestond, niet is bestreden. Over het feit dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 35 uur per week bestaat, heeft het hof in een eerdere uitspraak bindend beslist, zodat het hof dat als vaststaand aanneemt. Tot slot heeft werknemer een vergoeding gevorderd voor niet-genoten vakantiedagen en deze berekend op € 11.043,99 bruto (831 uur maal het laatst verschuldigde uurloon van € 13,29).  Hoewel Multi Cars heeft betwist dat werknemer bij het einde van het dienstverband nog recht had op 831 uur vakantie, heeft zij deze betwisting niet deugdelijk onderbouwd. Wederom wordt namelijk betwist dat van een arbeidsovereenkomst voor 35 uur per week tegen een cao-uurloon moet worden uitgegaan en dat werknemer in dat kader arbeid zou hebben verricht. Deze stellingen van Multi Cars zijn reeds verworpen.

Overige vergoedingen

In de tussenbeschikking van 16 september 2025 is ook overwogen dat werknemer aanspraak maakt op een transitievergoeding, billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding. De transitievergoeding heeft werknemer berekend op € 2.641,95 bruto. De berekening is bij de stukken gevoegd en is naar het oordeel van het hof juist. Deze berekening heeft Multi Cars ook niet bestreden. De gefixeerde schadevergoeding over de niet in acht genomen opzegtermijn op grond van artikel 7:672 lid 11 BW heeft werknemer berekend op € 2.133,48 bruto. Dit bedrag heeft Multi Cars ook niet betwist en het zal daarom ook worden toegewezen. De billijke vergoeding heeft werknemer berekend op € 25.000. Het hof stelt de hoogte van de billijke vergoeding echter vast op een bedrag van € 6.000 bruto. Dit bedrag komt overeen met ongeveer drie brutomaandsalarissen. Omdat tussen partijen al het een en ander speelde (en ook werknemer niet tevreden was over de gang van zaken), achtte het hof het niet aannemelijk dat werknemer – zoals hij zelf stelde – tot zijn pensioengerechtigde leeftijd bij Multi Cars in dienst was gebleven.