Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7162
Feiten
Werkneemster is in dienst bij Stichting Regionaal Opleidingscentrum van Amsterdam-Flevoland (hierna: ROC) in de functie van docente. Werkneemster is ziek sinds 12 mei 2025. Vanaf maart 2026 is zij gestart met re-integratie in haar eigen functie op een andere locatie dan haar oorspronkelijke werkplek. Bij vonnis in kort geding van 7 april 2026 heeft de kantonrechter ROC veroordeeld werkneemster op haar oude werkplek te laten re-integreren en daar een dwangsom aan verbonden van € 250 voor iedere dag dat ROC niet aan de veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000. ROC gaf geen uitvoering aan dat vonnis, waardoor de maximale dwangsom werd verbeurd. Werkneemster vordert dat ROC wordt bevolen haar onverwijld te laten re-integreren op haar oorspronkelijke werkplek onder oplegging van een dwangsom.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het staat vast dat ROC niet volledig heeft voldaan aan de eerdere veroordeling tot toelating van werkneemster tot haar oorspronkelijke werkplek, zodat de maximale dwangsom is bereikt. Het belang dat ROC heeft bij het re-integreren van werkneemster op de andere locatie is al betrokken bij de belangenafweging in het eerdere vonnis en kan hier niet opnieuw worden beoordeeld. Van nieuwe feiten of omstandigheden is niet gebleken. Nu ROC niet voldoet aan de veroordeling van het kort geding acht de kantonrechter een krachtiger prikkel in de vorm van een hogere dwangsom noodzakelijk. ROC wordt daarom veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van € 500 per dag voor elke dag dat ROC werkneemster niet laat re-integreren op haar oorspronkelijke werkplek, tot een maximum van € 100.000. ROC wordt in de proceskosten veroordeeld.
