Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 1 juli 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:6372
Geen oorzakelijk verband tussen werkomstandigheden en de beperkingen die werknemer ondervindt, verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen. Wel recht op gefixeerde schadevergoeding en betaling van vakantie-uren, alsmede vergoeding wegens het ontbreken van aanvullend invaliditeitspensioen.

Feiten

Werknemer is per 4 september 2007 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van kwaliteitsmedewerker. Werkgeefster heeft de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 opgezegd en heeft werknemer een bedrag van € 25.810,33 netto betaald. Werknemer stelt dat zijn gezondheidsklachten en daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid het gevolg zijn van zijn werk bij werkgeefster. In dat verband verzoekt hij om toekenning van een billijke vergoeding in de zin van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW. De vordering wordt ook ingesteld op grond van artikel 7:658 BW, 7:686 BW en/of artikel 7:611 BW. Werknemer verzoekt, onder meer, veroordeling van werkgeefster tot betaling van de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding, vakantiedagen, pensioenschade, vergoeding wegens het niet hebben van een aanvullend invaliditeitspensioen en een billijke vergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter komt tot de conclusie dat het oorzakelijk verband tussen het werk of de werkomstandigheden en de klachten door werknemer in onvoldoende mate is aangetoond. Hoewel de klachten en beperkingen passen bij klachten die het gevolg kúnnen zijn van het werk volgt uit de overgelegde (medische) informatie niet dat dit verband er in dit geval ook is. Daarvoor had het op de weg van werknemer gelegen om nader te specificeren dát en op welke wijze de uitval vanwege de meniscusingreep in 2022 gerelateerd was aan de werkomstandigheden of dit verband op een andere wijze nader te adstrueren. Een en ander volgt ook niet uit de adviezen van de bedrijfsarts. Werknemer heeft in dit verband niet dan wel niet voldoende onderbouwd gesteld dat werkgeefster haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen op een wijze die ernstige verwijtbaarheid met zich meebrengt. Het ernstig verwijtbaar handelen is naar de visie van werknemer gelegen in het niet op orde hebben van de arbeidsomstandigheden. Om echter te komen tot een verband tussen dit gestelde niet op orde hebben en de opzegging moet komen vast te staan dat de langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van het gestelde niet op orde hebben van de arbeidsomstandigheden. In dit concrete geval komt dit erop neer dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van de arbeidsomstandigheden. De vordering gebaseerd op artikel 7:682 BW strandt derhalve in dit geval op het hiervoor besproken ontbreken van het oorzakelijk verband. De kantonrechter is van oordeel dat - onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder oorzakelijk verband is overwogen - in dit geval werknemer onvoldoende heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat de gezondheidsklachten waaraan hij lijdt het gevolg kunnen zijn van de arbeidsomstandigheden, daargelaten de vraag of hij voldoende onderbouwd gesteld heeft dat de werkomstandigheden waren zoals hij die heeft geschetst. De vordering op grond van artikel 7:658 BW strandt daarom eveneens. De vordering van werknemer met betrekking tot het ontbreken van een invaliditeitspensioen wordt toegewezen. Hoewel een werknemer afstand kan doen van een bepaalde arbeidsvoorwaarde en werkgever het standpunt heeft ingenomen dat werknemer dit heeft gedaan, is hiervoor een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring nodig. Hierbij speelt mee dat werknemer de Nederlandse taal amper machtig is terwijl de afstandsverklaring in de Nederlandse taal is geformuleerd. Werkgeefster heeft niet gehandeld zoals van een goed werkgever verwacht mocht worden en werknemer lijdt hierdoor schade. Die schade is door werknemer onderbouwd en inhoudelijk niet betwist door werkgeefster en wordt begroot op het bedrag dat werknemer aan (aanvullende) uitkering zou hebben ontvangen. Werkgeefster heeft het (gekapitaliseerde) bedrag van die schade (€ 223.629,75) zowel wat betreft hoogte als wijze van berekening niet betwist zodat dit bedrag wordt toegewezen. De door werknemer verzochte vakantiedagen zoals die zouden zijn opgebouwd na de wachttijd worden grotendeels afgewezen; de kantonrechter volgt namelijk de lijn in de jurisprudentie waarbij een dergelijke opbouw niet meer plaatsvindt na de wachttijd conform hoe de wetgever dit bedoeld heeft. De gefixeerde schadevergoeding wordt toegekend. Het recht op een gefixeerde schadevergoeding bij onregelmatige opzegging staat los van de vraag of op uitbetaling van het loon daadwerkelijk aanspraak bestond. Het door werknemer verzochte restant aan transitievergoeding wordt toegewezen, nu ook wanneer de opzegtermijn niet in acht wordt genomen bij de berekening van de transitievergoeding rekening moet worden gehouden met de opzegtermijn én ook rekening moet worden gehouden met het salaris per de einddatum, waardoor een salarisverhoging van 3% nog wordt meegenomen. De door werknemer gevorderde kosten van de tolk tijdens de zitting worden toegewezen. Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, daarom wordt de betreffende vordering van werknemer afgewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.