Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 7 juli 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2086
Feiten
In deze zaak staat de vraag centraal of Unirice, Unirice Group en TRC Nederland in de periode tussen 1 mei 2006 (datum indiensttreding werknemer) tot en met 30 november 2018 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds Stichting MPF vielen. In zijn tussenarrest van 1 juli 2025 heeft het hof werknemer in de gelegenheid gesteld Stichting MPF in dit geding op te roepen om zich in dit geding te voegen, dan wel tussen te komen. Van deze gelegenheid heeft Stichting MPF gebruikgemaakt door zich te voegen aan de zijde van werknemer. Stichting MPF heeft zich volledig aangesloten bij de grieven van werknemer en verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en de vordering van werknemer toe te wijzen. Stichting MPF heeft daarbij betoogd dat de rapportages van de bedrijfsactiviteitbezoeken uit 2016 en 2018 momentopnames betreffen die in sterke mate steunen op door de werkgever verstrekte informatie. De door werknemer bij memorie van grieven overgelegde schriftelijke verklaringen van oud-werknemers bieden daarentegen inzicht in de dagelijkse praktijk en vullen die rapportages aan waar die niets zeggen over feitelijk (arbeidsintensieve) handelingen vóór, tijdens en na de bewerking. Stichting MPF is verder van mening dat ook werknemers die werkzaamheden verrichten die dienstbaar zijn aan het be- en verwerken van rijst, “betrokken” zijn in de zin van de verplichtstelling.
Oordeel
Naar het oordeel van het hof valt de werkgever die de productiefaciliteit exploiteert in genoemde periode onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit. Dat geldt ook als er wordt uitgegaan van de voorstelling van zaken die Unirice c.s. en TRC Nederland geven over de wijze van exploitatie van de productiefaciliteit. Een onderneming die rijst bewerkt, valt onder de werkingssfeer van het pensioenfonds wanneer ten minste de helft van de werknemers betrokken is bij die activiteiten. Daarbij telt niet alleen het daadwerkelijke bewerken van rijst mee, maar ook ondersteunende werkzaamheden zoals verpakken, transport en administratie, zolang die dienstbaar zijn aan het productieproces. Het hof geeft een ruime uitleg aan het woord "betrokken" in de verplichtstellingsregeling: niet alleen machinebedieners tellen mee, maar ook werknemers die bewerkte rijst inpakken, vervoeren of administratief verwerken kunnen als betrokken worden beschouwd. Anders zou een typisch rijstverwerkingsbedrijf buiten de regeling kunnen vallen, wat het hof onlogisch vindt. Het hof concludeert dat Unirice als exploitant van de productiefaciliteit van 1 september 2008 tot 1 mei 2013 onder de verplichte pensioenregeling viel. De vorderingen tegen TRC Nederland en Unirice Group worden afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat TRC Nederland als exploitant moest worden aangemerkt en onvoldoende is aangetoond dat Unirice Group aansprakelijk kan worden gehouden voor eerdere pensioenverplichtingen van andere groepsmaatschappijen. Het hof wijst de eis af om Unirice te verplichten achterstallige premies te betalen. Volgens het hof zijn de pensioenrechten van de werknemer niet afhankelijk van het daadwerkelijk betalen van premies; dat is een kwestie tussen het pensioenfonds en de werkgever. Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd. Het hof verklaart voor recht dat Unirice van 1 september 2008 tot 1 mei 2013 onder de verplichtstelling van MPF viel.
