Rechtspraak
Feiten
Werknemer is in 2011 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van medewerker cafébedrijf, tegen een uurloon van € 12 bruto. Hij is tot 11 juni 2018 in dienst geweest. In november 2018 heeft werknemer aan werkgeefster onder meer bericht dat van hem werd verwacht dat hij na sluitingstijd minstens een uur langer werkte om op te ruimen, terwijl die uren ten onrechte niet zijn uitbetaald. In verband daarmee is namens werknemer aanspraak gemaakt op een nabetaling met wettelijke verhoging. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Koninklijke Horeca Nederland (hierna: de cao) van toepassing. Voor zover in cassatie van belang vordert werknemer in deze procedure van werkgeefster betaling van gewerkte, maar niet betaalde overuren. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen op de grond dat werknemer onvoldoende had gesteld om tot bewijs te worden toegelaten. Ook het hof heeft de vordering van werknemer afgewezen. Hieraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat werknemer niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd dat betaling van gewerkte overuren uitbleef. In dit geval had het naar het oordeel van het hof op de weg van werknemer gelegen om tijdig, dat wil zeggen vanaf het moment dat hij op zijn loonstrook kon zien dat niet alle – volgens hem – gewerkte overuren werden uitbetaald, te klagen over het uitblijven van betaling hiervan. Werknemer heeft dit naar het oordeel van het hof echter verzuimd. Werknemer heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Oordeel
Het Hof Den Haag beoordeelde de zaak opnieuw, met inachtneming van de aanwijzingen van de Hoge Raad, maar kwam opnieuw tot dezelfde conclusie: werknemer heeft niet binnen bekwame tijd geklaagd. Werknemer wist of had moeten weten dat overuren niet werden betaald: (i) op zijn loonstroken stonden wel overuren vermeld en betaald, (ii) daardoor wist hij dat overuren afzonderlijk werden geregistreerd en vergoed en (iii) het ging bovendien om structurele, niet incidentele, overuren. Ook was er onvoldoende bewijs van eerdere klachten. Werknemer stelde dat hij en collega's jarenlang hadden geklaagd. Het hof vond echter geen concrete aanwijzingen dat hij zelf vóór november 2018 daadwerkelijk bij werkgeefster had geprotesteerd over deze specifieke overuren. Werknemer voerde aan dat klagen de arbeidsrelatie in gevaar kon brengen. Het hof achtte dit onvoldoende onderbouwd en niet overtuigend in het licht van zijn eigen processtukken. Werkgeefster is door het late protest benadeeld: bij tijdige klachten had zij mogelijk overuren kunnen compenseren met vrije tijd, zoals de cao voorschrijft.
