Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 juni 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1887
Feiten
Werknemer heeft van 5 juni 2017 tot en met 31 mei 2022als uitzendkracht voor AFS Uitzendbureau B.V. (hierna: ‘AFS’) gewerkt. Werknemer is in de functie van bagagemedewerker door AFS ter beschikking gesteld aan Schiphol Nederland B.V. (hierna: ‘Schiphol’), afdeling Bagage Operational Support (hierna: ‘BOS’). Werknemer werd door AFS ingeroosterd op door AFS van BOS ontvangen roosterblokken. Hij werkte achter de douane op Schiphol en moest zich vijftien minuten vóór de start van zijn ingeroosterde dienst fysiek melden in de – achter de douane gelegen – BOS-coördinatieruimte op Schiphol. Daar krijg hij te horen in welke (bagage-)hal hij die dag zijn werkzaamheden diende te verrichten, ontving hij van Schiphol een scanner en een portofoon en vanuit die BOS-ruimte diende hij tijdig te vertrekken nar de hem aangewezen hal teneinde daar op het aanvangstijdstip van het roosterblok aanwezig te zijn om zijn daar werkzame collega aan het eind van diens dienst af te lossen. De tijdspanne van vijftien minuten gelegen tussen het uiterste tijdstip waarop werknemer verplicht was zich in de BOS-ruimte te melden en het aanvangstijdstip van het roosterblok waarop hij was ingedeeld, heeft AFS niet aan werknemer verloond. Werknemer heeft in eerste aanleg (onder meer) salaris over de desbetreffende kwartieren in de periode 1 juni 2017 tot en met 31 mei 2022 gevorderd. AFS heeft de loonvordering betwist en als verweren gevoerd dat werknemer de klachtplicht van artikel 6:89 BW heeft geschonden en dat het bewuste kwartier is aan te merken als arbeid noch als arbeidstijd. De kantonrechter heeft het beroep op de klachtplicht afgewezen en het bewuste kwartier als arbeid en als arbeidstijd beoordeelt.
Oordeel
Klachtplicht
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is het eens met de conclusie van de kantonrechter dat de belangen van werknemer om door de kantonrechter genoemde redenen zwaarder dienen te wegen dan die van AFS en neemt deze beoordeling over. Het hof overweegt aanvullend dat AFS onvoldoende heeft gesteld op welke wijze zij door het niet tijdig klagen benadeeld zou zijn. AFS heeft immers de mogelijkheid opengelaten dat zij bij een toewijzend arrest over de daaruit voor haar voortkomende schade nog een daaruit voortvloeiende claim gaat indienen bij haar voormalige contractspartij Schiphol. Ook heeft AFS nagelaten voldoende concreet te stellen welke alternatieve handelwijzen zij door het tijdsverloop heeft gemist, als die er al waren. De ‘huisregels’ uit het BOS-memo golden immers voor alle uitzendkrachten die bij BOS werden ingezet, niet slechts voor diegenen die via AFS kwamen. Dus veel ‘onderhandelingsruimte’ lijkt er niet te zijn geweest. De gehoudenheid aan die huisregels stond dan ook redelijkerwijs niet ter discussie en bood AFS geen alternatieven, althans zij heeft dienaangaande onvoldoende concrete alternatieven voorgehouden.
Arbeid en arbeidstijd
De grief van AFS gericht op het oordeel van de kantonrechter dat het bewuste kwartier arbeid en arbeidstijd was, faalt. Zij miskent dat gedurende het bewuste kwartier werkzaamheden verplicht waren. De aanwezigheid vijftien minuten voordien was niet alleen verplicht, maar in voorkomende gevallen ook noodzakelijk om op tijd in de betreffende bagagehal aanwezig te zijn en de bagagemedewerker van tevoren niet wist in welke hal hij die dag was ingediend. De werkinstructie van BOS over verplichte aanwezigheid vijftien minuten vóór de aanvang van de roostertijd was dus een noodzakelijke werkinstructie die BOS ook mocht geven om de continuïteit van de bagageafhandeling te garanderen. Dat die vijftien minuten soms wel, soms niet ten volle opgingen aan noodzakelijke activiteiten doet er geen afbreuk aan dat de uitzendkrachten gedurende die vijftien minuten aanwezig, beschikbaar en bereid moesten zijn om conform die (dagelijks wisselende) instructies te handelen. De stelling van AFS dat als het al ‘arbeidstijd’ is, daarmee het recht op loon over die tijd niet vaststaat, miskent dat een redelijke uitleg van de tussen partijen gesloten uitzendovereenkomst bij deze laagbetaalde arbeid meebrengt dat de ‘vaste’ arbeidstijd volledig uitbetaald dient te worden.
