Naar boven ↑

Rechtspraak

AFS Uitzendbureau B.V./werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 juni 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1886
Het kwartier dat de uitzendkracht vóór de aanvang van zijn dienstrooster aanwezig moest zijn, kwalificeert als arbeidstijd.

Feiten

Werknemer heeft van 6 maart 2017 tot en met 19 mei 2020 en van 5 april 2021 tot en met 30 mei 2022 als uitzendkracht voor AFS Uitzendbureau B.V. (hierna: ‘AFS’) gewerkt. Werknemer is in de functie van bagagemedewerker door AFS ter beschikking gesteld aan Schiphol Nederland B.V. (hierna: ‘Schiphol’), afdeling Bagage Operational Support (hierna: ‘BOS’). Werknemer werd door AFS ingeroosterd op door AFS van BOS ontvangen roosterblokken. Hij werkte achter de douane op Schiphol en moest zich vijftien minuten vóór de start van zijn ingeroosterde dienst fysiek melden in de – achter de douane gelegen – BOS-coördinatieruimte op Schiphol. Daar krijg hij te horen in welke (bagage)hal hij die dag zijn werkzaamheden diende te verrichten, ontving hij van Schiphol een scanner en een portofoon en vanuit die BOS-ruimte diende hij tijdig te vertrekken nar de hem aangewezen hal teneinde daar op het aanvangstijdstip van het roosterblok aanwezig te zijn om zijn daar werkzame collega aan het eind van diens dienst af te lossen. De tijdspanne van vijftien minuten gelegen tussen het uiterste tijdstip waarop werknemer verplicht was zich in de BOS-ruimte te melden en het aanvangstijdstip van het roosterblok waarop hij was ingedeeld, heeft AFS niet aan werknemer verloond. Werknemer heeft in eerste aanleg (onder meer) salaris over de desbetreffende kwartieren in de periode 13 september 2017 tot en met 30 mei 2022 gevorderd. AFS heeft de loonvordering betwist en als verweren gevoerd dat werknemer de klachtplicht van artikel 6:89 BW heeft geschonden en dat het bewuste kwartier is aan te merken als arbeid noch als arbeidstijd. De kantonrechter heeft het beroep op de klachtplicht afgewezen en het bewuste kwartier als arbeid en als arbeidstijd beoordeeld.

Oordeel

Klachtplicht

Het hof oordeelt als volgt. Werknemer heeft bij e-mail van 13 maart 2022 voor het eerst geklaagd. AFS heeft zich erop beroepen dat werknemer van begin af aan uit zijn loonstroken heeft kunnen opmaken dat het kwartier niet werd betaald. Het gaat er echter niet om vanaf wanneer werknemer wist dat het kwartier niet werd betaald, maar vanaf wanneer hij wist of uit redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek kon weten dat hij daar mogelijk recht op had. AFS stelt niet dat werknemer dat eerder dan 13 maart 2022 wist en stelt evenmin dat hij dat uit redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek eerder had kunnen weten. De klachttermijn van artikel 6:89 BW is dus niet of nauwelijks gaan lopen. Het beroep op schending van die termijn stuit daarop af.

Arbeid en arbeidstijd

De grief van AFS gericht op het oordeel van de kantonrechter dat het bewuste kwartier arbeid en arbeidstijd was, faalt. Zij miskent dat gedurende het bewuste kwartier werkzaamheden verplicht waren. De aanwezigheid vijftien minuten voordien was niet alleen verplicht, maar in voorkomende gevallen ook noodzakelijk om op tijd in de betreffende bagagehal aanwezig te zijn en de bagagemedewerker van tevoren niet wist in welke hal hij die dag was ingediend. De werkinstructie van BOS over verplichte aanwezigheid vijftien minuten vóór de aanvang van de roostertijd was dus een noodzakelijke werkinstructie die BOS ook mocht geven om de continuïteit van de bagageafhandeling te garanderen. Dat die vijftien minuten soms wel, soms niet ten volle opgingen aan noodzakelijke activiteiten doet er geen afbreuk aan dat de uitzendkrachten gedurende die vijftien minuten aanwezig, beschikbaar en bereid moesten zijn om conform die (dagelijks wisselende) instructies te handelen. De stelling van AFS dat als het al ‘arbeidstijd’ is, daarmee het recht op loon over die tijd niet vaststaat, miskent dat een redelijke uitleg van de tussen partijen gesloten uitzendovereenkomst bij deze laagbetaalde arbeid meebrengt dat de ‘vaste’ arbeidstijd volledig uitbetaald dient te worden.