Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/werkgever
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 18 mei 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:5267
Werkgever moet loon en niet genoten vakantie-uren uitbetalen ondanks financiƫle moeilijkheden wegens eindigen onderneming. Toewijzing loonvordering in kort geding.

Feiten

Werknemer is per 15 juni 2024 in dienst getreden bij werkgever in de functie van (internationaal) chauffeur voor een half jaar. Deze arbeidsovereenkomst wordt eerst verlengd met een half jaar en op 15 juni 2025 met een jaar. Bij deze laatste verlenging is een addendum opgenomen in de arbeidsovereenkomst waardoor de overeenkomst vanaf 1 december 2025 tussentijds opzegbaar is geworden. Werknemer is arbeidsongeschikt in de periode van september 2025 tot 1 januari 2026. De bedrijfsresultaten van de onderneming van werkgever schieten tekort voor verlenging van de NIWO-vergunning, waardoor werkgever per 1 december 2025 genoodzaakt was te stoppen met de onderneming. Werkgever heeft dit uitgelegd aan zijn chauffeurs, waaronder werknemer. Werkgever heeft elk van hen een vaststellingsovereenkomst aangeboden, die alleen door werknemer niet is ondertekend. Werkgever heeft werknemer meegedeeld dat hij per januari 2026 geen loon meer kan betalen. Op 4 december 2025 vraagt werkgever het UWV om een ontslagvergunning voor werknemer om bedrijfseconomische redenen, die bij brief van 6 januari 2026 wordt verleend. Werkgever zegt de arbeidsovereenkomst op tegen 1 maart 2026. Bij brief van 4 februari 2026 sommeert werknemer de betaling van het loon over de maand januari 2026. Werknemer verzoekt in kort geding de betaling van achterstallig loon, niet genoten vakantie-uren en een transitievergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter moet onderzoeken of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en of er sprake is van onverwijlde spoed die een onmiddellijke voorziening vereist. Ook het risico op onmogelijkheid van terugbetaling - mocht de bodemrechter anders beslissen - speelt een rol in de afweging van belangen van de partijen. Het spoedeisend belang heeft werknemer voldoende toegelicht nu hij van zijn loon afhankelijk is om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud. De tegenwerping van werkgever dat werknemer ander werk heeft gevonden en weer inkomen heeft, brengt in dat oordeel geen verandering. De kantonrechter wijst de loonvordering toe. Het loon is verschuldigd over de periode tot de datum waartegen is opgezegd. De betalingsonmacht van werkgever komt volgens de verkeersopvattingen voor zijn eigen rekening en risico, en staat dus niet in de weg aan toewijzing van de loonvordering. Bovendien rustte op werknemer geen verplichting om de aangeboden vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Ook de vordering betreffende het vakantiegeld over deze periode en het bedrag aan niet genoten vakantie-uren wordt toegewezen, evenals de wettelijke rente over elk van de toegewezen vorderingen. De gevorderde wettelijke verhoging wijst de kantonrechter af nu werkgever onweersproken heeft aangevoerd dat hij wel wil maar niet kan betalen wegens financiële moeilijkheden. Werkgever heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat in de bodemprocedure de wettelijke verhoging sterk of zelfs tot nihil zal worden gematigd. Bovendien dient de toegewezen wettelijke rente al als compensatie voor de vertraging in betaling. De gevorderde transitievergoeding wordt toegewezen nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd op initiatief van werkgever. Werkgever wordt in de proceskosten veroordeeld.