Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17582
Feiten
Werknemer is per 3 april 1991 in dienst getreden bij de ambassade van Oman te Den Haag (hierna: Oman) in de functie van vertaler. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst bevatte een contractuele beëindigingsvergoeding, omdat Oman geen pensioenregeling in stand hield voor zijn werknemers in Nederland. Bij aanvang van het dienstverband ontving werknemer geen wettelijke vakantietoeslag. Op 1 juni 2009 hebben partijen een gewijzigde arbeidsovereenkomst gesloten, waarbij de beëindigingsvergoeding enkel is vervangen door een vakantietoeslag van 8%. Het dienstverband is na opzegging door Oman op 2 januari 2025 geëindigd in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Oman heeft een eindafrekening uitbetaald, maar zonder een vergoeding wegens beëindiging van het dienstverband toe te kennen. Werknemer verzoekt betaling van de contractuele beëindigingsvergoeding en een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. De overeenkomst van 1 juni 2009 zou onder bedreiging (dreiging van ontslag) tot stand zijn gekomen. Werknemer heeft daarnaast aangevoerd dat partijen bij het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst niet de bedoeling hebben gehad het contractuele recht op een beëindigingsvergoeding ‘weg te contracteren’. Volgens Oman heeft werknemer door ondertekening van de arbeidsovereenkomst afstand gedaan van zijn rechten uit eerdere overeenkomsten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De overeengekomen arbeid werd gewoonlijk verricht op de ambassade in Den Haag. De kantonrechter is daarom in deze procedure bevoegd. Op grond van artikel 6 lid 2 sub a van het EVO-verdrag is eveneens het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht van toepassing. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer er niet in is geslaagd de rechtsgeldigheid van de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 aan te tasten. Werknemer heeft deze arbeidsovereenkomst namelijk niet buitengerechtelijk vernietigd, noch heeft werknemer vernietiging verzocht. Dit betekent dat partijen een bindende overeenkomst hebben gesloten. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt de contractuele beëindigingsvergoeding echter nog steeds onderdeel uit van de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden. Oman heeft niet weersproken dat partijen bij het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 niet de bedoeling hebben gehad het contractuele recht op een beëindigingsvergoeding ‘weg te contracteren’. Doordat werknemer altijd al recht had op een vakantietoeslag, is hij niet adequaat gecompenseerd voor het verlies van zijn contractuele beëindigingsvergoeding. Na aftrek van eerder ontvangen uitkeringen wordt een beëindigingsvergoeding van € 20.343,35 bruto toegewezen. De kantonrechter overweegt verder dat Oman de arbeidsovereenkomst op 11 november 2024 heeft opgezegd per 3 januari 2025. De tussen partijen geldende opzegtermijn van vier maanden is daarmee niet nageleefd. Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW is Oman een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. Oman wordt in de proceskosten veroordeeld.
