Naar boven ↑

Rechtspraak

Hortis/JA
Hof van Justitie van de Europese Unie, 9 juli 2026
ECLI:EU:C:2026:566
Rechtskeuze gaat voor als dit samenvalt met ‘nauwere band-exceptie’, ook als dit voor de werknemer ‘ongunstigere bepalingen’ oplevert.

Feiten

Hortis, een IT-dienstverlener, heeft JA, die in Frankrijk woont, per 1 september 2007 in dienst genomen als directeur. Tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tussen Hortis en JA, waarop de Zwitserse wet van toepassing was, woonde JA in Frankrijk en oefende hij daar zijn beroepswerkzaamheden uit. Bij brief van 25 januari 2012 is hij ontslagen volgens de in het Zwitserse recht vastgestelde ontslagformaliteiten, die noch voorzien in een gesprek voorafgaand aan de beëindiging van een arbeidsovereenkomst, noch in de verplichting om de ontslagbrief te motiveren. De Franse rechter heeft op grond van artikel 6 Rome I geoordeeld dat Frans recht van toepassing is, omdat niet van het dwingende recht van de plaats waar feitelijk arbeid wordt verricht, kon worden afgeweken, aldus de rechter. Hortis stelt zich op het standpunt dat de Franse rechter ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of er geen nauwere banden zijn met Zwitserland, met name gelet op het feit dat JA een gunstige bezoldiging in Zwitserse frank (CHF) ontving die op een Zwitserse bankrekening werd gestort, dat hij was aangesloten bij de Zwitserse socialezekerheidsstelsels, dat hij onderworpen was aan het gunstige belastingstelsel dat van toepassing is op werknemers die in Zwitserland werken, en dat hij beschikte over een Zwitsers e-mailadres en een Zwitsers mobiel telefoonnummer. De Franse rechter stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Oordeel

Het Hof van Jusitie EU oordeelt als volgt. 

Rechtskeuze gaat voor als dit samenvalt met nauwere band-exceptie ook als dit voor de werknemer ongunstigere bepalingen oplevert

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6 lid 2, laatste zinsnede, van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer de partijen het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke recht hebben gekozen, de nationale rechter aan dat recht voorrang moet verlenen en de dwingende bepalingen buiten toepassing moet laten die meer bescherming bieden en die voortvloeien uit het recht waarvan de werknemer de toepassing verlangt, terwijl dat recht bij gebreke van een rechtskeuze krachtens artikel 6 lid 2 onder a en b van dat verdrag van toepassing zou zijn, indien uit alle omstandigheden blijkt dat die arbeidsovereenkomst nauwere banden heeft met het land waarvan het recht door de partijen is gekozen als het op die overeenkomst toepasselijke recht. 

In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat het begrip ‘ander land’ in artikel 6 lid 2, laatste zinsnede, van het Verdrag van Rome moet worden opgevat onder verwijzing naar het ‘land’ dat wordt bepaald op basis van een van de twee aanknopingscriteria van artikel 6 lid 2 onder a en b. Op grond van de bewoordingen van deze bepalingen kan dus niet worden uitgesloten dat dit ‘andere land’ het land is waarvan de partijen overeenkomstig artikel 3 van dat verdrag het recht hebben gekozen.  Ten tweede heeft het Hof in punt 63 van het arrest van 11 december 2025, Locatrans (C-485/24, ECLI:EU:C:2025:955), vastgesteld dat ‘het dus aan de verwijzende rechter staat om vast te stellen of overeenkomstig artikel 6, lid 2, laatste zinsnede van het Verdrag van Rome uit alle omstandigheden blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met Frankrijk dan met Luxemburg, waarvan het recht door partijen is gekozen als het op deze overeenkomst toepasselijke recht’. Hieruit volgt dat het Hof uitdrukkelijk heeft erkend dat deze bepaling de verwijzende rechter kan verplichten om het recht dat de partijen hebben gekozen als het op de betrokken arbeidsovereenkomst toepasselijke recht, voorrang te geven wanneer deze overeenkomst nauwer is verbonden met het land waarvan het recht aldus is gekozen. Voorts heeft het Hof ook verduidelijkt dat aangezien de doelstelling van artikel 6 van het Verdrag van Rome een passende bescherming van de werknemer is, dit artikel moet verzekeren dat op de arbeidsovereenkomst het recht van het land wordt toegepast waarmee deze overeenkomst de nauwste banden schept. Deze uitlegging hoeft er niet noodzakelijkerwijs toe te leiden dat in alle situaties het gunstigste recht voor de werknemer wordt toegepast (HvJ EU 12 september 2013, Schlecker, C-64/12, ECLI:EU:C:2013:551, punt 34). Met andere woorden, de toepassing van het recht van het land waarmee de overeenkomst nauwere banden schept, maakt het mogelijk een passende bescherming van de werknemer te waarborgen, zonder dat dit recht noodzakelijkerwijs voor hem het gunstigst is. Indien dus in casu uit alle omstandigheden zou blijken dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met Zwitserland, waarvan het recht door partijen is gekozen als het op die overeenkomst toepasselijke recht, dan met Frankrijk, waar JA ter uitvoering van die overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verrichtte, dient de verwijzende rechter krachtens artikel 6 lid 2, laatste zinsnede, van het Verdrag van Rome de dwingende bepalingen van het Franse recht, die een betere bescherming bieden dan die van het Zwitserse recht, buiten toepassing te laten.

Rechtskeuze vormt op zichzelf geen nauwere band

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6 lid 2, laatste zinsnede, van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter, om te bepalen of de dwingende bepalingen van het recht van een ander land dan het in artikel 6 lid 2 onder a en b bedoelde land van toepassing zijn, rekening moet houden met de nauwere banden die bij de uitvoering van een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de keuze door de partijen van het op die overeenkomst toepasselijke recht, dan wel of hij deze buiten beschouwing moet laten.

Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de nationale rechter bij de beoordeling van de banden die een arbeidsovereenkomst heeft met een ander land dan dat waar de betrokken werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht of met het land van de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, rekening moet houden met alle factoren die de arbeidsbetrekking kenmerken. In dit verband moet hij beoordelen welke van deze factoren volgens hem het zwaarste wegen. De nationale rechter kan echter niet automatisch tot de conclusie komen dat de regel van artikel 6 lid 2 onder a of b van het Verdrag van Rome buiten toepassing moet worden gelaten louter omdat de andere relevante omstandigheden, buiten de plaats waar de arbeid daadwerkelijk wordt verricht of het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, in hun geheel genomen een ander land aanwijzen (zie in die zin Schlecker, punt 40).

De keuze door de partijen bij een arbeidsovereenkomst van het op die overeenkomst toepasselijke recht kan als zodanig geen criterium vormen waarmee eventueel rekening wordt gehouden om te bepalen of die overeenkomst een nauwere band heeft met een ander land dan het land waar de betrokken werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht of met dat van de vestiging die hem in dienst heeft genomen. 

Wat meer in het bijzonder het doel van artikel 6 van het Verdrag van Rome betreft, bestaat dit artikel erin een passende bescherming te bieden aan de werknemer, die in het kader van een arbeidsverhouding traditioneel wordt beschouwd als de sociaal-economisch zwakkere partij, gelet op de verhouding van ondergeschiktheid die kenmerkend is voor een dergelijke verhouding (zie in die zin HvJ EU 15 maart 2011, Koelzsch, C-29/10, ECLI:EU:C:2011:151, punt 40). Dit artikel beoogt dus te voorkomen dat een werkgever een werknemer de toepassing oplegt van het recht van een land dat geen objectieve band heeft met de feitelijke omstandigheden van de contractuele verhouding die hen bindt. Om te waarborgen dat op de arbeidsverhouding het recht van het land van toepassing is dat het best aansluit bij de feitelijke omstandigheden van de contractuele verhouding tussen de partijen bij de arbeidsovereenkomst, moet rekening worden gehouden met alle objectieve elementen die die verhouding kenmerken, daaronder begrepen de elementen die voortvloeien uit de keuze door de partijen van het op die overeenkomst toepasselijke recht. In het kader van een dergelijke alomvattende beoordeling kan aan de verschillende elementen van de betrokken arbeidsverhouding evenwel een verschillend gewicht worden toegekend. Het staat dus aan de nationale rechter om elk van de hem voorgelegde elementen af te wegen naar hun belang en relevantie, en te beoordelen welk element of welke elementen daarvan, ongeacht hun aantal, het doorslaggevendst zijn. Dienaangaande dient de nationale rechter met name te onderzoeken of die elementen voortvloeien uit een onderlinge wilsovereenstemming dan wel door de werkgever aan de werknemer zijn opgelegd, teneinde te voorkomen dat de werkgever misbruik maakt van de aanknopingscriteria van de arbeidsovereenkomst.

In casu staat het dus aan de verwijzende rechter om vast te stellen of overeenkomstig artikel 6 lid 2, laatste zinsnede, van het Verdrag van Rome uit alle omstandigheden volgt dat de arbeidsovereenkomst in het hoofdgeding nauwer is verbonden met Frankrijk dan wel Zwitserland. Bij dat onderzoek dient deze rechter rekening te houden met alle objectieve elementen die de betrokken arbeidsverhouding kenmerken en deze tegen elkaar afwegen teneinde vast te stellen van welk land het recht het best aansluit bij de feitelijke omstandigheden van die arbeidsverhouding.