Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 22 mei 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5043
Feiten
Werknemer is voor bepaalde tijd in dienst bij werkgeefster. Bij een eerdere tussenbeschikking is geoordeeld dat werkgeefster werknemer ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. In de onderhavige procedure twisten partijen nog over de hoogte van de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding en over de vraag of werknemer aanspraak heeft op een billijke vergoeding. Daarbij verschillen zij onder meer van mening over de vraag of de ontvangen bonussen en het mobiliteitsbudget bij de berekening van de vergoedingen moeten worden betrokken en welke schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen. Werknemer verzoekt daarnaast vergoeding van de werkelijke proceskosten. Werkgeefster verzoekt afwijzing van de resterende verzoeken.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor de berekening van de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding wordt naast het maandsalaris rekening gehouden met de gemiddelde maandelijkse bonus, berekend over de gehele duur van het dienstverband, omdat deze een structureel onderdeel van het loon vormt. Het mobiliteitsbudget wordt buiten beschouwing gelaten, omdat dit een reiskostenvergoeding is en geen looncomponent. De transitievergoeding wordt vastgesteld op € 2.976,04 bruto en de gefixeerde schadevergoeding op € 4.565,70 bruto. Hoewel werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door werknemer ten onrechte op staande voet te ontslaan, bestaat geen aanleiding een billijke vergoeding toe te kennen. Daarbij weegt mee dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kort daarna van rechtswege zou zijn geëindigd, werknemer inmiddels een beter betaalde baan heeft gevonden en zijn inkomensverlies daardoor beperkt is. Ook heeft werknemer zelf bijgedragen aan het ontstaan van het geschil door tijdens zijn re-integratie onvoldoende coöperatief op te treden, zonder toestemming een taakstraf uit te voeren en informatie over zijn arbeidsrelatie met werkgeefster in ChatGPT te delen. Het mobiliteitsbudget, de autolening en de gestelde immateriële schade worden evenmin als schadecomponent bij de billijke vergoeding meegenomen. Gelet op alle omstandigheden, waaronder de reeds toegekende transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding, ziet de kantonrechter geen aanleiding een billijke vergoeding toe te kennen. Ook de gevorderde vergoeding van de werkelijke proceskosten wordt afgewezen, omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
