Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 28 mei 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:16924
Feiten
Werkneemster is op 28 januari 2013 in dienst getreden bij de Stichting Hoger Beroeps Onderwijs Haaglanden (hierna: ‘HHS’). Op 29 januari 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Vanaf 27 januari 2020 heeft werkneemster een WGA-uitkering ontvangen. Bij verzoekschrift van 2 december 202 heeft HHS de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij beschikking van 10 februari 2023 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2023 ontbonden op de b-grond. Tegen deze beschikking heeft werkneemster hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Den Haag is in zijn beschikking van 26 maart 2024 tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2023 gekomen. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de eindafrekening. Bij dagvaarding van 22 mei 2024 heeft werkneemster gevorderd dat HHS wordt veroordeeld tot betaling van door haar genoemde bedragen ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en (proces)kosten. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 19 december 2024 het saldo van door werkneemster opgebouwde en nog niet door HHS uitbetaalde verlofuren per einde dienstverband vastgesteld en het tarief waartegen deze verlofuren moeten worden uitbetaald. In deze procedure maakt werkneemster aanspraak op de wettelijke vakantiedagen opgebouwd in de periode van 30 januari 2020 tot aan het einde van het dienstverband op 1 juni 2023.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het meest verstrekkende verweer van HHS bestaat uit het beroep op de kracht en het gezag van gewijsde van het vonnis van 19 december 2024. In artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Het gezag van gewijsde staat eraan in de weg dat dezelfde vordering opnieuw wordt ingesteld, ook als er nieuw bewijsmateriaal beschikbaar is of de grondslag nader is onderbouwd met aanvullende feiten. Vast staat dat het vonnis van de kantonrechter van 19 december 2024 in kracht van gewijsde is gegaan. Het vonnis van 19 december 2024 kan niet anders worden begrepen dan dat daarin alle verlofaanspraken van werkneemster op HHS tot het einde van het dienstverband zijn vastgesteld. Het gaat immers in de beoordeling over aanspraken per einde dienstverband en in de beslissing over een eindafrekening van vakantiedagen. Dat bestrijkt de gehele periode dat het dienstverband heeft geduurd tot het einde per 1 juni 2023. Dat partijen er in die procedure van uit zijn gegaan dat er geen verlof is opgebouwd na het verstrijken van de loondoorbetalingsperiode van 104 weken is daarbij niet van belang. De kantonrechter oordeelt dat in het vonnis van 19 december 2024 al is beslist over de verlofaanspraken van werkneemster tot het einde van haar dienstverband en dat die beslissing partijen bindt zodat de vorderingen van werkneemster in deze procedure zullen worden afgewezen.
