Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 1 juni 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:3462
Ontbinding arbeidsovereenkomst op de e-grond. Werknemer heeft verwijtbaar gehandeld door zich schuldig te maken aan ontoelaatbare belangenverstrengeling.

Feiten

Werknemer is op 1 juni 2024 in dienst getreden van werkgeefster. Op 11 maart 2025 is werknemer op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van dezelfde datum is het volgende vermeld: “Hierbij beëindigen wij de arbeidsovereenkomst per direct. Reden is dat u in opspraak bent geraakt in meerdere zaken over oplichting en fraude zonder dat u ons daar over informeerde (…). De in opspraak geraakte zaak in [plaats] richt ons directe schade aan in onze bedrijfsvoering. Daarnaast is meerdere malen door afdeling HR gevraagd en gemaild naar uw ID gegevens. U heeft deze tot op heden niet verstrekt, het blijkt dat de naam op de loonstrook niet overeenkomt met de persoon waar u zich voor uitgeeft (…) Op uw verzoek heeft u in december 2024 een auto aangeschaft. Een BMW (...), waar u destijds heeft aangegeven de aanbetaling niet te kunnen voldoen, waarmee uw werkgever hiervoor akkoord heeft gegeven en deze heeft betaald en dat na aanbetaling vanwege de bijtelling en conform arbeidsovereenkomst de lease na uw onderneming overgaat [X] B.V. Dit is tot op heden niet gebeurd. In de arbeidsovereenkomst staat duidelijk dat er geen auto van de zaak beschikbaar is gesteld (…). Daarnaast heeft [Y] B.V. aangegeven dat u als vertegenwoordiger tekenbevoegd zou zijn namens [Z] B.V. K Zie teken document mail adres (...), hiervan was de heer [A] niet op de hoogte (bijlage E).” De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd. Het tegenverzoek van werkgeefster tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is toegewezen op de e-grond.

Oordeel

Ontslag op staande voet

Het hof oordeelt als volgt. Ten aanzien van het ontslag op staande voet ligt in hoger beroep alleen nog de vraag voor of het afsluiten van het financieringscontract/leasecontract ten behoeve van een auto (BMW) op naam van Z B.V. een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert. Of partijen, in afwijking van de arbeidsovereenkomst, zijn overeengekomen dat werknemer een leaseauto zou krijgen en dat het leasecontract met (impliciete) instemming van werkgeefster is, kan in het midden blijven. Uit de processtukken en uit hetgeen op de mondelinge behandeling bij het hof naar voren is gekomen, blijkt immers dat al in januari 2025 bij B bekend was dat werknemer een leasecontract op naam van Z B.V. had afgesloten. Pas op 11 maart 2025 is werknemer op staande voet ontslagen, terwijl werkgeefster dus al in januari 2025 op de hoogte was van de reden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt. Werkgeefster heeft niet gesteld dat zij in die tussenliggende periode nog nader onderzoek naar dit verwijt moest doen en zo ja, waarom dat zo lang moest duren, zodat zij te lang heeft gewacht met het geven van het ontslag. De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en om die reden geen stand kan houden.

Ontbinding arbeidsovereenkomst

Werkgeefster heeft aan haar verzoek tot ontbinding op basis van de e-grond ten grondslag gelegd dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling bij de uitoefening van zijn taken als werknemer van werkgeefster. Werknemer heeft met zijn vennootschap X B.V. een overeenkomst gesloten met C B.V. waarbij X B.V. een provisie van € 80.000 zou ontvangen als deze bakkerijketen door werkgeefster zou worden overgenomen. Het hof is van oordeel dat werknemer zich aan ontoelaatbare belangenverstrengeling heeft schuldig gemaakt bij het bedingen van een provisie als de verkoop van de bakkerij aan werkgeefster zou doorgaan. Met het ‘dienen van twee heren’ heeft werknemer verwijtbaar gehandeld, zodanig dat van werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.