Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3611
Feiten
Werknemer is sinds 15 december 2020 in dienst bij Quarijn. Werknemer is op 13 januari 2025 arbeidsongeschikt geraakt, waarna een re-integratietraject is gestart. In oktober 2025 was hij deels aan het werk in aangepaste werkzaamheden, maar hij heeft zich na een terugval weer volledig ziekgemeld. Volgens Quarijn voldeed werknemer vanaf dat moment niet meer aan zijn re-integratieverplichtingen. Zij heeft daarom het loon van werknemer, na een officiële waarschuwing, over de maand december 2025 stopgezet. Volgens werknemer is deze loonstop onterecht. Hij vordert in onderhavig kort geding loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging.
Oordeel
De kantonrechter volgt Quarijn niet in haar stelling dat werknemer geen spoedeisend belang zou hebben, omdat werknemer inmiddels wel weer loon ontvangt en de vordering ziet op loon van een half jaar geleden. Werknemer heeft uitgelegd dat hij zijn spaargeld heeft moeten gebruiken om rond te kunnen komen in de periode zonder loon. Ook heeft hij geld moeten lenen van zijn ouders. Werknemer heeft daarom wel een spoedeisend belang. Werknemer heeft geen deskundigenoordeel van het UWV meegestuurd met de dagvaarding. Toch leidt het ontbreken van de deskundigenverklaring niet tot een niet-ontvankelijkheid van werknemer. Uit een uitspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat de rechter in een kortgedingprocedure zelf mag bepalen of het overleggen van een deskundigenverklaring door de werknemer wenselijk is. Werknemer heeft dan wel geen deskundigenoordeel van het UWV meegestuurd, maar wel een advies van de bedrijfsarts van 13 november 2025. In dit advies heeft de bedrijfsarts de arbeidsgeschiktheid van werknemer beoordeeld. De inhoud daarvan wordt door beide partijen niet betwist, zodat het binnen het bestek van deze procedure niet nodig is dat werknemer een oordeel van een deskundige van het UWV overlegt. Werknemer is vanwege zijn ziekte per 13 januari 2025 meermaals bij de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige geweest. De kantonrechter acht op basis van de stukken aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat Quarijn, na een officiële waarschuwing met de aanzegging van een mogelijke loonstop, de loonstop op 28 november 2026 terecht heeft opgelegd. Werknemer heeft, voorshands oordelend, namelijk niet voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Quarijn had de loonstop wel op 15 december 2025 moeten beëindigen. Nadat Quarijn op 28 november 2025 de loonbetaling van werknemer heeft stopgezet, zijn partijen namelijk op 15 december 2025 samengekomen bij de arbeidsdeskundige. Vanaf dat moment voldeed werknemer weer aan zijn re-integratieverplichtingen en had Quarijn zijn loon moeten uitbetalen. Quarijn moet daarom alsnog het salaris van 15 december 2025 tot en met 31 december 2025 betalen aan werknemer.
