Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 9 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3548
Verstekvonnis. Werkgeefster komt afspraken uit de beëindigingsovereenkomst niet na. Loonvorderingen, eindafrekening en achterstallig loon wegens onderbetaling worden bij verstek toegewezen.

Feiten

Werknemer is van 7 juni 2025 tot en met 23 februari 2026 bij werkgeefster in dienst geweest. Partijen hebben de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. In de beëindigingsovereenkomst is afgesproken dat werkgeefster het loon over februari 2026 en de eindafrekening uiterlijk op 20 maart 2026 zou voldoen. Werkgeefster is die afspraken niet nagekomen. Werknemer vordert daarom onder meer betaling van achterstallig loon, de eindafrekening, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Daarnaast stelt hij dat werkgeefster gedurende november 2025 tot en met januari 2026 slechts 24 van de 28 gewerkte uren heeft uitbetaald en daarbij een te laag uurloon heeft gehanteerd.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tegen werkgeefster wordt verstek verleend. Het spoedeisend belang is gegeven, omdat er sprake is van een loonvordering. Nu de vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, worden deze toegewezen. Dat geldt zowel voor het loon over februari 2026 en de eindafrekening op grond van de beëindigingsovereenkomst als voor het achterstallige loon wegens betaling van te weinig uren en een te laag uurloon, inclusief de daarmee samenhangende vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Ook de wettelijke verhoging, wettelijke rente en de verplichting tot het verstrekken van deugdelijke loonspecificaties worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd tot € 25 per dag, met een maximum van € 1.000. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.