Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15 mei 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6373
Feiten
Werknemer is op 15 maart 2025 voor de duur van één jaar, tot en met 14 maart 2026, in dienst getreden bij Ymere als servicemonteur. In de arbeidsovereenkomst was opgenomen dat bij gebleken geschiktheid en voldoende formatieruimte een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden. Op 23 december 2025 meldde werknemer zich ziek wegens een hersenbloeding als gevolg van een ooroperatie. Op 28 januari 2026 deelde Ymere mee dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. In een WhatsApp-bericht lichtte de teamleider toe dat de reden daarvoor was dat onduidelijk was wanneer werknemer volledig zou herstellen. Begin maart 2026 bood Ymere werknemer vervolgens nog een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden aan. Werknemer vorderde in kort geding dat Ymere zou worden veroordeeld hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden en loon vanaf 15 maart 2026 te betalen.
Oordeel
De kantonrechter verklaart werknemer niet-ontvankelijk. Een kort geding kan uitsluitend voorlopige voorzieningen treffen die zijn gebaseerd op een bestaande rechtsverhouding tussen partijen. Op het moment dat de kortgedingprocedure werd gestart, was de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd al geëindigd, zodat tussen partijen geen arbeidsrechtelijke rechtsverhouding meer bestond. De gevorderde veroordeling om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden zou feitelijk leiden tot het ontstaan van een nieuwe rechtsverhouding. Daarvoor is een kortgedingprocedure niet geschikt. Anders dan in de door werknemer aangehaalde rechtspraak, bestond in deze zaak ten tijde van de procedure geen lopende arbeidsovereenkomst meer. De vraag of werknemer materieel aanspraak heeft op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dient daarom in een bodemprocedure te worden beoordeeld. Aan de inhoudelijke beoordeling van de overige vorderingen komt de kantonrechter niet toe.
