Naar boven ↑

Rechtspraak

Prothya Biosolutions Netherlands B.V./werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 juni 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1550
Dynamisch incorporatiebeding blijft van kracht voor overnemende werkgever. Werkgever moet ondernemings-cao toepassen. Werknemer hoefde niet in te stemmen met het eenzijdige wijzigingsverzoek ex artikel 7:611 BW van werkgever om in plaats daarvan de AVR te hanteren.

Feiten

Werknemer is met ingang van 26 augustus 2013 bij Sanquin Plasma Products B.V. (hierna: SPP), de rechtsvoorganger van Prothya Biosolutions Netherlands B.V. (hierna: Prothya), in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De destijds aangegane arbeidsovereenkomst bevat geen eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW. Wel bevat de arbeidsovereenkomst een dynamisch incorporatiebeding voor wat betreft de cao Sanquin (hierna: de cao). Door overgang van onderneming zijn de werknemers van SPP, onder wie werknemer, overgegaan naar Prothya. Volgens de procesafspraken tussen Prothya en de vakbonden CNV en FNV blijft de cao van toepassing voor werknemers die voor de verzelfstandiging in dienst waren van SPP zolang er geen nieuwe cao is. In februari 2023 is Prothya een arbeidsvoorwaardenregeling (AVR) overeengekomen met de ondernemingsraad (OR). In dat kader is werknemers een keuze voorgelegd tussen de AVR en de cao. Daarbij heeft Prothya te kennen gegeven dat zij niet gehouden is de opvolgende versies van de cao toe te passen. Werknemer heeft gekozen voor de cao. Nadat Prothya is verzelfstandigd is bij Sanquin twee keer een nieuwe cao overeengekomen tussen Sanquin en de vakbonden. Prothya heeft in 2021 en 2022 het salaris van alle medewerkers conform de AVR geïndexeerd, ook dat van werknemer. Vanaf 2023 is dat bij hem niet meer het geval. Zijn salaris is sindsdien “bevroren”. Werknemer is per 1 oktober 2025 uit dienst bij Prothya op grond van bedrijfseconomische redenen. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Asklepios-arrest als uitgangspunt heeft gekozen dat een dynamisch incorporatiebeding overgaat op de verkrijger. De kantonrechter oordeelt dat Prothya niet gerechtigd is de overeenkomst met werknemer eenzijdig te wijzigen. Op grond van de aangevoerde omstandigheden is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een wijziging van omstandigheden die noopt tot een eenzijdige wijziging van de afgesproken arbeidsvoorwaarden. Ook kan redelijkerwijs geen instemming van werknemer worden gevergd, mede gelet op het feit dat een cao meer zekerheid biedt dan een arbeidsvoorwaardenregeling. Prothya vordert primair dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van werknemer in conventie zal afwijzen.

Oordeel

Bij zijn beoordeling stelt het hof voorop dat een dynamisch incorporatiebeding dat van kracht is op het ogenblik van overgang van onderneming, in beginsel overgaat op de verkrijger. De verkrijger moet evenwel na de overgang de aanpassingen en veranderingen kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt. Het HvJ EU overweegt in het Asklepios-arrest uitdrukkelijk dat aan dit vereiste is voldaan indien de verkrijger op grond van de nationale wettelijke regeling mogelijkheden heeft om de op het ogenblik van de overgang geldende arbeidsvoorwaarden na de overgang consensueel of eenzijdig te wijzigen. De kantonrechter heeft dit in het bestreden vonnis terecht tot uitgangspunt genomen. Anders dan Prothya betoogt, hoefde de kantonrechter daarom niet nader te onderzoeken of en welke fundamentele rechten van Prothya als verkrijger in het gedrang kwamen door het dynamisch incorporatiebeding, omdat de verkrijger die wijzigingsmogelijkheden onder het nationale recht heeft en daarmee de middelen in handen heeft om een einde te maken aan een eventuele inbreuk op die fundamentele rechten. Het hof volgt Prothya niet in haar stelling dat zij zich in een Catch-22 situatie bevindt omdat zij op papier weliswaar een wijzigingsmogelijkheid heeft maar die wijziging op grond van artikel 7:611 BW in dit geval niet mogelijk is (zodat er de facto geen wijzigingsmogelijkheid bestaat). Dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat werknemer niet op grond van artikel 7:611 BW gehouden is in te stemmen met een wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden, betekent niet dat er voor Prothya dus geen doeltreffende wijzigingsmogelijkheid beschikbaar is, maar slechts dat in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op artikel 7:611 BW is voldaan. Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat de werknemer in beginsel niet gehouden is voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Dat is evenwel anders als van de werknemer op grond van zijn verplichting om zich als goed werknemer te gedragen, onder omstandigheden gevergd kan worden toch met dat voorstel in te stemmen. Daarvoor is in de eerste plaats vereist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die tot een wijziging van de afgesproken arbeidsvoorwaarden noopt. Prothya betoogt dat de kantonrechter deze vraag ten onrechte ontkennend heeft beantwoord, omdat Prothya een arbeidsvoorwaardenpakket wil aanbieden dat bij haar organisatie (een internationale en concurrerende commerciële onderneming) past. Prothya heeft bovendien een gerechtvaardigd belang om haar medewerkers gelijk te belonen en tot harmonisatie van haar arbeidsvoorwaarden te komen, mede gelet op haar vrijheid van ondernemerschap, aldus Prothya. Het hof volgt Prothya daarin niet. Daartoe is redengevend dat Prothya haar werknemers begin 2023 zelf de keuze heeft geboden tussen de nieuwe AVR en de cao. Naar het oordeel van het hof moet daarom ook de derde vraag van Stoof/Mammoet (of van werknemer redelijkerwijs gevergd kon worden om in te stemmen met het voorstel om de AVR van toepassing te verklaren op zijn arbeidsovereenkomst) ontkennend worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede vraag – te weten of het voorstel tot toepassing van de AVR in plaats van de cao redelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval – geldt dat de kantonrechter het antwoord daarop in het bestreden vonnis in het midden heeft gelaten, gelet op het ontkennende antwoord op de eerste en derde vraag van Stoof/Mammoet. Het bestreden vonnis wordt in principaal en incidenteel appèl bekrachtigd.