Naar boven ↑

Rechtspraak

BG/Ministero della Difesa
Hof van Justitie van de Europese Unie, 18 juni 2026
ECLI:EU:C:2026:498
Inhoudelijke bezwaren tegen vaccinatieplicht vallen niet onder 'overtuigingen' in de zin van de Richtlijn.

Feiten

Bij besluit van 10 januari 2022 is verzoeker in het hoofdgeding, een hoge officier van de genie van de krijgsmacht, geschorst wegens zijn weigering om te voldoen aan de plicht van militair personeel om zich te laten vaccineren tegen het SARS-CoV-2-virus. Volgens verzoeker wordt hij ongelijk behandeld ten opzichte van civiel personeel waarvoor deze vaccinatieplicht niet geldt en is er sprake van indirect ongelijke behandeling op grond van geloofsovertuiging. Tot besluit beroept verzoeker zich op artikelen 1 en 24 Handvest, stellende dat door de schorsing zonder behoud van loon hem de mogelijkheid tot waardig inkomen en bescherming van zijn gezin zijn ontnomen.

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.

Richtlijn heeft geen betrekking op onderscheid in behandeling beroepsactiviteit

In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat het in de eerste vraag bedoelde verschil in behandeling, dat inhoudt dat sommige van de betrokkenen zich verplicht moeten laten vaccineren om hun beroepsactiviteit te kunnen uitoefenen, voortvloeit uit het feit dat deze personen behoren tot ofwel het militaire ofwel het civiele personeel, aangezien volgens de nationale regelgeving voor deze verschillende personeelscategorieën verschillende regelingen gelden wat hun arbeids- en dienstverband betreft. Hieruit volgt dat een verschil in behandeling als bedoeld in de eerste vraag is gebaseerd op het feit dat de betrokken werknemers tot een bepaalde beroepsgroep behoren. Aangezien deze discriminatiegrond niet behoort tot de in artikel 1 Richtlijn 2000/78/EG genoemde gronden, moet worden geconcludeerd dat dit verschil in behandeling niet valt binnen het algemene kader van deze richtlijn en in het bijzonder niet valt onder artikel 2 lid 2 onder a daarvan.

Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2 lid 2 onder a Richtlijn 2000/78/EG aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die aan militair personeel een verplichte vaccinatie oplegt als voorwaarde voor de uitoefening van hun beroepsactiviteit, terwijl civiele personeelsleden die hun taken in dezelfde omgeving en in een vergelijkbare medische context verrichten niet aan een dergelijke verplichting zijn onderworpen, aangezien een dergelijk verschil in behandeling niet onder artikel 2 lid 2 onder a valt.

Inhoudelijke bezwaren tegen vaccinatieplicht vallen niet onder 'overtuigingen' in de zin van de Richtlijn

Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, heeft het begrip „godsdienst” in artikel 1 Richtlijn 2000/78/EG zowel betrekking op het forum internum, dat wil zeggen het feit een overtuiging te hebben, als op het forum externum, dat wil zeggen de belijdenis in het openbaar van een religieuze overtuiging. Voorts zet dit artikel godsdienst en overtuiging op één lijn, net als artikel 19 VWEU, waarin staat dat de Uniewetgever passende maatregelen kan nemen om discriminatie op grond van onder meer „godsdienst of overtuiging” te bestrijden, en als artikel 21 van het Handvest, waarin „godsdienst of overtuiging” als een van de discriminatiegronden wordt genoemd. Derhalve moeten de termen „godsdienst” en „overtuiging” voor de toepassing van Richtlijn 2000/78/EG als twee kanten van dezelfde discriminatiegrond worden gezien (HvJ EU 28 november 2023, Gemeente Ans, C-148/22, ECLI:EU:C:2023:924, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien de door Richtlijn 2000/78/EG gewaarborgde bescherming tegen discriminatie enkel ziet op de gronden die uitputtend zijn vermeld in artikel 1 van deze richtlijn, geldt deze richtlijn dus niet voor overtuigingen die worden opgevat als een mening, of het nu om een politieke dan wel om een andere mening gaat. 

In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat verzoeker in het hoofdgeding met name aanvoert, op grond van discriminatie op basis van overtuigingen, dat de opgelegde vaccinatieplicht, gelet op de door hem te vervullen taken, niet kan worden gerechtvaardigd om gezondheidsredenen. Voorts stelt deze verzoeker dat een dergelijke vaccinatie niet doeltreffend is wat de overdracht van het SARS-CoV-2-virus betreft en dat een dergelijke vaccinatie gelijkwaardig is aan het uitvoeren van testen. In dit verband voert die verzoeker aan dat werknemers in andere sectoren toegang tot hun werkplek konden krijgen door te beschikken over ofwel een vaccinatiecertificaat, ofwel een certificaat dat blijk geeft van een negatief testresultaat. Voorts dient te worden opgemerkt dat dezelfde verzoeker in het hoofdgeding zich ter ondersteuning van een dergelijk standpunt baseert op verschillende wetenschappelijke documenten om aan te tonen, ten eerste, dat de kennis over de doeltreffendheid en de ongewenste bijwerkingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vaccinatie beperkt was en, ten tweede, dat van een gevaccineerde persoon en een niet-gevaccineerde persoon met een negatief testresultaat een vergelijkbaar besmettingsrisico uitgaat. Aldus beoogt hij aan de hand van een wetenschappelijke argumentatie de overwegingen ter discussie te stellen die de verwijzende rechter dienaangaande heeft geformuleerd in het verzoek om een prejudiciële beslissing. Hieruit volgt dat verzoeker in het hoofdgeding met dergelijke argumenten niet tracht om eigen overtuigingen tegen te werpen aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verplichte vaccinatie, maar daarmee opkomt tegen de keuzen van de Italiaanse autoriteiten op het gebied van de volksgezondheid.

Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2 lid 2 onder b Richtlijn 2000/78/EG zich niet, wegens indirecte discriminatie op grond van overtuiging, verzet tegen een nationale regeling die een verplichte vaccinatie oplegt als voorwaarde voor de uitoefening van de beroepsactiviteit van een militair personeelslid dat, anders dan met name andere militaire personeelsleden die hun taken in dezelfde omgeving verrichten, zich tegen een dergelijke vaccinatie verzet, wanneer de redenen voor zijn verzet neerkomen op meningen op het gebied van de volksgezondheid die niet onder het begrip „overtuiging” in de zin van deze richtlijn vallen, zodat een dergelijk verschil in behandeling niet onder artikel 2 lid 2 onder b valt.

Handvest in casu nu van toepassing

De nationale regeling kan niet worden geacht „het Unierecht ten uitvoer te brengen” in de zin van artikel 51 lid 1 Handvest, zodat de artikelen 1 en 24 daarvan niet van toepassing zijn op het hoofdgeding.