Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Vloertechniek B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22 mei 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:6220
Tussenvonnis. Partijen hebben elkaar ten aanzien van verlofuren geen finale kwijting verleend in een beëindigingsovereenkomst. Partijen worden in de gelegenheid gesteld hun stellingen met betrekking tot de omvang van het verlof te onderbouwen.

Feiten

Werkneemster is per 1989 in dienst getreden bij Vloertechniek B.V. (hierna: Vloertechniek) in de functie van betonstorter. Nadat werkneemster twee jaar ziek was geweest, hebben partijen in april 2025 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Volgens werkneemster moet Vloertechniek op grond van die overeenkomst nog een bedrag aan niet-genoten vakantiedagen en ATV-dagen uitbetalen. Vloertechniek betwist de vordering van werkneemster, nu partijen finale kwijting zijn overeengekomen. Subsidiair voert Vloertechniek aan dat er geen sprake is van resterende verlofdagen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. In de beëindigingsovereenkomst is afgesproken dat de uitbetaling van verlofdagen nog zou plaatsvinden, waardoor niet aannemelijk is dat ten aanzien van de verlofdagen finale kwijting is verleend. De kantonrechter volgt Vloertechniek niet in haar stelling dat werkneemster door geen bezwaar te maken tegen de verlofadministratie, afstand zou hebben gedaan van haar vakantierechten. Omdat er sprake is van dwingend recht kunnen werkgever en werkneemster dus niet rechtsgeldig afspreken dat werkneemster afstand doet van het recht op vakantie. Om diezelfde reden kan uit het enkele stilzwijgen van werkneemster niet worden afgeleid dat zij daarmee afstand heeft gedaan van haar vakantierechten, althans van eventueel resterend verloftegoed. Uit de Cao afbouw volgt dat geen ATV-dagen worden opgebouwd als een werknemer gedurende een aaneengesloten periode van vijf weken volledig ziek is. Omdat werkneemster dat niet is geweest, bestaat recht op 10 ATV-dagen over 2022. Voor de vakantiedagen in 2023 gaat de stelling van Vloertechniek dat deze deels zijn vervallen niet op, omdat niet aannemelijk is geworden dat werkneemster tijdig en concreet geïnformeerd is over het dreigende verval. Ten aanzien van de opbouw van verlofdagen gedurende de periode dat er sprake was van een slapend dienstverband wordt, aangezien partijen in de gelegenheid worden gesteld zich over de genoemde punten uit te laten, ook nog geen beslissing genomen gelet op de prejudiciële vragen die aan de Hoge Raad gesteld zijn. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.