Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 december 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:3532
Feiten
Werknemer is op 25 oktober 2010 in dienst getreden bij Wipro Limited (hierna: Wipro) en werkte laatstelijk in de functie van programmamanager. Eind 2015 heeft Wipro het idee opgevat haar pensioenregeling aan te passen. IAK, een intermediair ten behoeve van haar pensioenregelingen, heeft Wipro daarbij geadviseerd. Op 1 januari 2016 is de pensioenregeling met instemming van de ondernemingsraad gewijzigd. Op 17 juli 2017 is werknemer uitgevallen vanwege arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 16 oktober 2018 heeft Aon/One Underwriting aan werknemer overzichten van zijn ‘Arbeidsongeschiktheidspensioen 2018’ gestuurd. Hierin staat dat hij per 1 januari 2018 is aangemeld voor een WGA- en een IVA-excedentverzekering. Bij brief van 17 december 2018 heeft Aon aan werknemer laten weten dat de in het overzicht van oktober 2018 opgenomen gegevens niet correct waren en dat Wipro voor haar werknemers alleen een WGA-hiaatverzekering Uitgebreid had afgesloten. Werknemer viel niet onder die uitzondering en voor hem was dus geen IVA-excedentverzekering afgesloten. Partijen hebben op 11 februari 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. In de clausule houdende finale kwijting die is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst is het onderhavige geschil betreffende de WIA-excedentverzekering daarvan uitgesloten. Werknemer vorderde in eerste aanleg een verklaring voor recht dat Wipro aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt omdat hij vanaf 15 juli 2019 geen uitkering uit hoofde van een IVA-excedentverzekering ontvangt en veroordeling van Wipro tot betaling van de schade van € 488.353. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen (zie AR 2021-0764). Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet langer in geschil dat op enig moment een fout is gemaakt door een of meer medewerkers van IAK/AON, met als gevolg dat aan alle werknemers van Wipro (onder wie werknemer) gedurende meerdere jaren overzichten zijn verstrekt waarop ten aanzien van werknemer is vermeld dat voor hem een WIA-excedentverzekering was afgesloten. Tevens staat vast dat IAK/AON een door Wipro ingeschakelde intermediair was ten behoeve van haar pensioenregelingen en als zodanig kan worden aangemerkt als hulppersoon in de zin van artikel 6:76 BW. Voorts stelt het hof vast dat Wipro geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de door werknemer begrote schade. Naar aanleiding van door het hof gestelde vragen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep die door Wipro niet of onvoldoende konden worden beantwoord, hebben beide partijen zich op het standpunt gesteld te willen dat ‘de onderste steen boven komt’ ten aanzien van de verzekeringssituatie van werknemer bij Wipro gedurende de jaren 2015 tot en met 2019. Partijen hebben ermee ingestemd dat een aktewisseling plaatsvindt, waarbij Wipro de voor de beantwoording van de vragen van het hof relevante stukken in het geding zal brengen. Werknemer zal hierop bij antwoordakte kunnen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
