Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 2 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:14850
Feiten
Werknemer is in 2011 in dienst getreden bij Albert Heijn en op de arbeidsovereenkomst is de cao Logistiek Albert Heijn van toepassing. In de cao is bepaald dat voor medewerkers van 49 jaar of ouder geen verplichting meer bestaat om in de nacht te werken en dat medewerkers vanaf 45 jaar aanspraak kunnen maken op roostervrije seniorendagen, indien zij een arbeidsovereenkomst hebben van meer dan 128 uur per periode. Werknemer heeft een arbeidsomvang van 128 uur per periode. Op 18 september 2023 heeft werknemer verzocht om uitbreiding van zijn werkuren naar 160 uur per periode. Dit verzoek heeft Albert Heijn op 17 oktober 2023 afgewezen. Op 3 september 2024 is namens werknemer opnieuw verzocht om uitbreiding van de arbeidsduur, met ingang van 1 december 2023 dan wel 1 december 2024. Dit verzoek is op 11 september 2024 opnieuw afgewezen. Als reden is onder meer gegeven dat toewijzing niet zou leiden tot meer arbeidsprestatie, maar vooral tot extra aanspraken op seniorendagen, en dat sprake is van een zwaarwegend bedrijfsbelang en misbruik van recht. Werknemer vordert voor recht te verklaren dat zijn arbeidsduur per 1 december 2023, althans 1 december 2024, wordt vastgesteld op 160 uur per periode. Daarnaast vordert hij dat hij gebruik kan blijven maken van de regeling voor roostervrije seniorendagen en dat de extra uren gelijkelijk worden verdeeld over dag-, nacht- en avonddiensten. Verder vordert hij aanpassing en uitbetaling van salaris en pensioenafdrachten overeenkomstig die arbeidsduur, alsmede vergoeding van kosten. Werknemer stelt dat hij op grond van de Wet flexibel werken recht heeft op uitbreiding van zijn arbeidsduur, tenzij een zwaarwegend bedrijfsbelang zich daartegen verzet. Albert Heijn voert verweer en stelt dat sprake is van misbruik van recht en dat een zwaarwegend bedrijfsbelang aan toewijzing in de weg staat.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat de tweede aanvraag van 3 september 2024 in deze procedure beoordeeld moet worden. Ten aanzien van misbruik van recht overweegt de kantonrechter dat daarvan in dit geval geen sprake is. Het enkele feit dat bij een urenuitbreiding ook meer verlofrechten ontstaan, maakt nog niet dat er sprake is van onevenredigheid tussen het belang van werknemer en het belang dat daardoor wordt geschaad. De financiële verbetering staat volgens de kantonrechter nog in een redelijke verhouding tot de te leveren arbeidsprestatie. Verder is niet gebleken van zwaarwegende bedrijfsbelangen die aan toewijzing in de weg staan. De door Albert Heijn gestelde problemen van organisatorische aard en gebrek aan formatieruimte zijn onvoldoende onderbouwd, mede omdat de gebruikte cijfers niet zien op de relevante periode. De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat de weigering van het verzoek niet gerechtvaardigd is. De vordering tot vaststelling van de arbeidsduur wordt toegewezen en Albert Heijn wordt veroordeeld tot aanpassing van loon en pensioenafspraken overeenkomstig de verhoogde arbeidsduur. De overige gevorderde verklaringen, waaronder over de toepassing van de seniorendagen en de verdeling van diensten, worden afgewezen omdat deze reeds uit de cao voortvloeien of onvoldoende zelfstandig belang hebben. Albert Heijn wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
