Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 27 mei 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:4689
Beroep van werkgeefster op een bepaling in de arbeidsovereenkomst op basis waarvan de werkgever kon besluiten de al uitbetaalde bonus in te houden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, nu werkgeefster werknemer verkeerd heeft ingelicht over de opzegtermijn én zonder gegronde reden en voorafgaande mededeling een groot bedrag aan loon heeft ingehouden bij werknemer.

Feiten

Werknemer heeft bij werkgeefster gewerkt op basis van een nulurencontract. In de arbeidsovereenkomst is een beding opgenomen waarin is bepaald dat werknemer maandelijks aanspraak heeft op een discretionaire bonus als wordt voldaan aan de daaraan verbonden voorwaarden die zijn opgenomen in het huisreglement van werkgeefster. In het huishoudelijk reglement wordt vervolgens toegelicht dat aanspraak op de maandelijkse discretionaire bonus bestaat wanneer de werknemer zich tijdens een kalendermaand niet ziek heeft gemeld tijdens afgesproken werkdagen, niet afwezig is zonder goedkeuring van werkgever op afgesproken werkdagen en zich als een 'goed werknemer' zal gedragen. Op 3 november 2025 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst opgezegd met de mededeling dat hij vanaf 1 december 2025 niet meer beschikbaar is voor werk. Op de laatste salarisspecificatie van werknemer heeft werkgeefster een bedrag van € 359,44 inzake bonus, telefoonvergoeding en fooi ingehouden. Deze bedragen waren eerder uitbetaald bij het loon over augustus, september en oktober 2025. In onderhavige procedure vordert werknemer een bedrag van € 351,06 terug. Werkgeefster voert verweer en beroept zich daarbij op het beding in de arbeidsovereenkomst en het huishoudelijk reglement. Volgens haar heeft werknemer onvoldoende rekening gehouden met de opzegtermijn, zeker gezien het feit dat werkgeefster ten minste vier weken van tevoren het rooster maakt.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Aangezien werknemer werkzaam was bij werkgeefster op basis van een nulurencontract bedroeg de opzegtermijn voor werknemer op grond van artikel 7:672 lid 5 BW slechts vier dagen. Desondanks heeft werknemer na zijn opzegging op 3 november 2025 maar liefst vier weken (de gebruikelijke planningstermijn) doorgewerkt tot en met het einde van de maand, en dus veel langer dan waartoe hij wettelijk gezien verplicht was. Uit de overgelegde correspondentie volgt verder dat werkgeefster werknemer onjuist heeft voorgelicht door mee te delen dat zijn arbeidsovereenkomst doorloopt tot en met 31 december 2025 en dat werkgeefster verwachtte dat werknemer die hele periode zou uitwerken. Dit is kwalijk. Vervolgens heeft werkgeefster – zonder aankondiging – met terugwerkende kracht de in augustus 2025, september 2025 en oktober 2025 uitbetaalde bonussen (uitbetaald onder de noemers ‘bonus’, ‘telefoonvergoeding en ‘fooi’) ingehouden. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van werkgeefster op de bepaling uit de arbeidsovereenkomst in de hiervoor geschetste omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Werknemer heeft zich immers als goed werknemer gedragen en is zelfs vele malen langer in dienst gebleven dan waartoe hij verplicht was. Het is juist werkgeefster die zich niet als goed werkgever heeft gedragen door werknemer eerst verkeerd voor te lichten en door vervolgens zonder een gegronde reden en zonder mededeling vooraf een groot bedrag op het loon van werknemer in te houden. Gelet op het voorgaande is de loonvordering van werknemer toewijsbaar. Op grond van artikel 7:625 BW is de gevorderde wettelijke verhoging eveneens toewijsbaar.

  • Rechters: K.H.J. Vermariën
  • Wetsartikelen: 7:625 BW
  • Onderwerpen: Overige
  • Trefwoorden: maandelijkse discretionaire bonus, huishoudelijk reglement, opzegging arbeidsovereenkomst, nulurencontract, opzegtermijn, inhouding loon en redelijkheid en billijkheid